rui
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- het periodiek uitvallen van het verenkleed van vogels
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ruien | meervoud |
| ruitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ruitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruien
- gebiedende wijs van ruien
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruien
Vervoeging van rui
ruihele werkwoord