roof
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
- de korst van een wond
- dak
zelfstandig naamwoord — masculine
- van het Engels overgenomen woorden die betrekking hebben op dak zoals roofrack en roofrail
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| roofje | verkleinwoord, enkelvoud |
| roofjes | verkleinwoord, meervoud |
| roven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roven
- gebiedende wijs van roven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roven
Vervoeging van roof
roofhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘wondkorst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Woordfamilie van roof
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| roofje | verkleinwoord | roof |
| roofjes | verkleinwoord meervoud | roof |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roof zijn vastgelegd.