riskeren
werkwoordBetekenis
- blootstellen aan een kans op verlies
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van riskeren
riskerenhele werkwoord — riskeerdeverleden tijd enkelvoud — riskeerdenverleden tijd meervoud — geriskeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | riskeer | riskeerde |
| jij | riskeert | riskeerde |
| hij, zij, het | riskeert | riskeerde |
| wij | riskeren | riskeerden |
| jullie | riskeren | riskeerden |
| zij | riskeren | riskeerden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is geriskeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geriskeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geriskeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geriskeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geriskeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geriskeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geriskeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geriskeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geriskeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geriskeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geriskeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geriskeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geriskeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geriskeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geriskeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geriskeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geriskeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geriskeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geriskeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geriskeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geriskeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geriskeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geriskeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geriskeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geriskeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geriskeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geriskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geriskeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geriskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geriskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geriskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geriskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geriskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geriskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geriskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| riskeer | gebiedende wijs |
| riskeerde | verleden tijd |
| riskere | aanvoegende wijs |
| riskerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geriskeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te riskeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen riskeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren geriskeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geriskeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geriskeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden geriskeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden geriskeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geriskeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geriskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geriskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geriskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geriskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geriskeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geriskeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou geriskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geriskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geriskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geriskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geriskeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geriskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geriskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geriskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geriskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geriskeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geriskeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geriskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geriskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geriskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geriskeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geriskeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen riskeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geriskeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult riskeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wagen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1777
Woordfamilie van riskeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geriskeerd | voltooid deelwoord | riskeren |
| geriskeerde | woordvorm | riskeren |
| riskeer | gebiedende wijs | riskeren |
| riskeerde | verleden tijd | riskeren |
| riskeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | riskeren |
| riskeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | riskeren |
| riskere | aanvoegende wijs | riskeren |
| riskerend | onvoltooid deelwoord | riskeren |
| riskerende | woordvorm | riskeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van riskeren zijn vastgelegd.