risken
werkwoord ˈrɪskə(n)Betekenis
- in een groepje het strategische bordspel 'Risk' spelen
Hoe spreek je risken uit?
/ˈrɪskən/
Risken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- in een groepje het strategische bordspel "Risk" spelen unergative
Vervoeging van risken
riskenhele werkwoord — riskteverleden tijd enkelvoud — risktenverleden tijd meervoud — gerisktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | risk | riskte |
| jij | riskt | riskte |
| hij, zij, het | riskt | riskte |
| wij | risken | riskten |
| jullie | risken | riskten |
| zij | risken | riskten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geriskt | verleden tijd, deelwoord |
| geriskt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geriskt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geriskt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geriskt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geriskt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geriskt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geriskt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geriskt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geriskt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geriskt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geriskt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geriskt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geriskt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geriskt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geriskt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geriskt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geriskt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| risk | gebiedende wijs |
| riske | aanvoegende wijs |
| riskend | onvoltooid, deelwoord |
| riskte | verleden tijd |
| te hebben geriskt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te risken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen risken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geriskt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geriskt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geriskt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal risken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal risken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal risken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geriskt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geriskt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geriskt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou risken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou risken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou risken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geriskt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geriskt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geriskt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden risken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden risken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden risken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geriskt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt risken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geriskt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geriskt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geriskt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen risken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen risken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen risken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen risken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geriskt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult risken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van de merknaam Risk en met het achtervoegsel -en, geschreven met een hoofdletter aangetroffen vanaf 1977 en met een kleine letter vanaf 1983 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van risken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geriskt | voltooid deelwoord | risken |
| riske | aanvoegende wijs | risken |
| riskend | onvoltooid deelwoord | risken |
| riskende | woordvorm | risken |
| riskt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | risken |
| riskte | verleden tijd | risken |
| riskten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | risken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van risken zijn vastgelegd.