rif
zelfstandig naamwoord rɪfBetekenis
- een ondiepte in water, koraalbank, klip
- bij windmolens en zeilschepen: een strook van het zeiloppervlak dat tijdelijk kan worden opgevouwen of opgerold
- lichaam van een mens of dier, geraamte
- rib
Hoe spreek je rif uit?
/rɪf/
Rif bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɪ | pit |
| f | fiets |
Klinkt hetzelfde als riff.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| reven (in betekenis 2) | meervoud |
| riffen (in betekenis 1 en 3) | meervoud |
| rifje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rifjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Oudnoor(d)s, in de betekenis van ‘bank in zee’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1595
Woordfamilie van rif
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| riffen | meervoud | rif |
| rifje | verkleinwoord | rif |
| rifjes | verkleinwoord meervoud | rif |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rif zijn vastgelegd.