gif
zelfstandig naamwoord ɣɪfBetekenis
- een substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
- een bepaald bestandstype waarmee plaatjes worden vastgelegd
- gebiedende wijs enkelvoud van geuon: geef!
Hoe spreek je gif uit?
/xɪf/
Gif bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɪ | pit |
| f | fiets |
zelfstandig naamwoord — neuter
- substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| giffen | meervoud |
| gifje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gifjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bestand waarin een rasterafbeelding of een animatie daarvan in een bepaalde codering is vastgelegd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gifje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gifjes | verkleinwoord, meervoud |
| gifs | meervoud |
Herkomst
(afkorting), (letterwoord) het acroniem van graphics interchange format, van gif in universeel taalgebruik
Woordfamilie van gif
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| giffen | meervoud | gif |
| gifje | verkleinwoord | gif |
| gifjes | verkleinwoord meervoud | gif |
| gifs | meervoud | gif |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gif zijn vastgelegd.