riek
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een handwerktuig voor het verplaatsen van bladeren, gras of gewied materiaal in de vorm van een grote vork met smalle tanden
- rijk; een staat of natie onder een vorst of heerser
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rieken | meervoud |
| riekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| riekjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rieken
- gebiedende wijs van rieken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rieken
Vervoeging van riek
riekhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘mestvork’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van riek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| riekje | verkleinwoord | riek |
| riekjes | verkleinwoord meervoud | riek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van riek zijn vastgelegd.