remslaap
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een kenmerkende fase in de slaap van mens en (zoog-) dier waarin de ogen snelle bewegingen maken en de hersenen actiever zijn, daarentegen zijn de spieren in hoge mate ontspannen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| remslaapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| remslaapjes | verkleinwoord, meervoud |
| remslapen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘fase in de slaap waarin men droomt’ voor het eerst aangetroffen in 1984
Woordfamilie van remslaap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| remslaapje | verkleinwoord | remslaap |
| remslaapjes | verkleinwoord meervoud | remslaap |
| remslapen | meervoud | remslaap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van remslaap zijn vastgelegd.