remmen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈrɛmə(n)Betekenis
- snelheid doen verminderen
Hoe spreek je remmen uit?
/ˈrɛmən/
Remmen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛ | bed |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van remmen
remmenhele werkwoord — remdeverleden tijd enkelvoud — remdenverleden tijd meervoud — geremdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rem | remde |
| jij | remt | remde |
| hij, zij, het | remt | remde |
| wij | remmen | remden |
| jullie | remmen | remden |
| zij | remmen | remden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geremd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geremd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geremd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geremd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geremd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geremd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geremd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geremd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geremd | verleden tijd, deelwoord |
| geremd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geremd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geremd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geremd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geremd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geremd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geremd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geremd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geremd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geremd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geremd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geremd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geremd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geremd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geremd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geremd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geremd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geremd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rem | gebiedende wijs |
| remde | verleden tijd |
| remme | aanvoegende wijs |
| remmend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geremd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te remmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen remmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geremd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geremd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geremd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geremd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geremd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geremd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geremd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geremd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geremd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geremd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geremd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geremd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geremd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geremd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geremd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geremd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geremd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geremd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geremd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geremd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geremd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geremd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geremd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geremd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geremd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal remmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal remmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal remmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geremd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geremd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geremd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geremd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou remmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou remmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou remmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geremd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geremd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geremd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden remmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden remmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden remmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geremd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt remmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geremd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geremd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geremd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geremd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geremd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geremd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen remmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen remmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen remmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen remmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geremd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geremd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geremd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult remmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord rem
Herkomst
erfwoord Uit Middelnederlands remmen 'stil doen staan', uit Protogermaans *hramjan 'tegenhouden', vergelijk Oudnederlands chramin 'hindering, belemmering', Oudengels hremman 'hinderen, belemmeren', Oudnoords hremma 'vastpakken', Gotisch hramjan 'kruisigen'. Verwant aan Slavisch *krom-, Russisch kroma 'rand', za-kromit' 'omgeven', e.d.
Woordfamilie van remmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| remde | verleden tijd | remmen |
| remden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | remmen |
| remme | aanvoegende wijs | remmen |
| remt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | remmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van remmen zijn vastgelegd.