Naar de inhoud

refereren

~ aan: verwijzen naar

refereren

werkwoord

Betekenis

  1. ~ aan: verwijzen naar
  2. zich ~ aan: zich neerleggen bij een besluit

Vervoeging van refereren

refererenhele werkwoord — refereerdeverleden tijd enkelvoud — refereerdenverleden tijd meervoud — gerefereerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik refereer refereerde
jij refereert refereerde
hij, zij, het refereert refereerde
wij refereren refereerden
jullie refereren refereerden
zij refereren refereerden
Alle 161 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
'refereren naar' is een contaminatie van 'refereren aan' en 'verwijzen naar'.
- impersonal, passief
ben gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gerefereerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerefereerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerefereerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerefereerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerefereerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerefereerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerefereerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerefereerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerefereerd verleden tijd, deelwoord
gerefereerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerefereerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerefereerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerefereerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerefereerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerefereerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerefereerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerefereerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerefereerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerefereerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerefereerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerefereerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerefereerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerefereerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerefereerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerefereerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerefereerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerefereerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
refereer gebiedende wijs
refereer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
refereer u/je , refereert je gebiedende wijs
refereerde verleden tijd
refereerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
refereerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
refereerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
refereerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
refereerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
refereerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
refereerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
refereerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
refereerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
refereerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
refereert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
refereert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
refereert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
refereert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
refereert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
refereert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
referere aanvoegende wijs
referere zich aanvoegende wijs
refereren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
refereren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
refereren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
refererend onvoltooid, deelwoord
te hebben gerefereerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te refereren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen refereren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gerefereerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerefereerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gerefereerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerefereerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gerefereerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gerefereerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gerefereerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gerefereerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gerefereerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerefereerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerefereerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gerefereerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerefereerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gerefereerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerefereerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me refereren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal refereren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal refereren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal refereren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich refereren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je refereren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gerefereerd hebben verleden tijd
zich refererend onvoltooid, deelwoord
zijn gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gerefereerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gerefereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerefereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerefereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gerefereerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerefereerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gerefereerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerefereerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerefereerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerefereerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou refereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou refereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou refereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerefereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerefereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerefereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerefereerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gerefereerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gerefereerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerefereerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerefereerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerefereerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden refereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden refereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden refereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerefereerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerefereerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerefereerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt refereren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerefereerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerefereerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerefereerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verwijzen’ voor het eerst aangetroffen in 1503

Woordfamilie van refereren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gerefereerd voltooid deelwoord refereren
gerefereerde woordvorm refereren
refereer gebiedende wijs refereren
refereerde verleden tijd refereren
refereerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon refereren
refereert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon refereren
referere aanvoegende wijs refereren
refererend onvoltooid deelwoord refereren
refererende woordvorm refereren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van refereren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over refereren

Wat betekent refereren?
Refereren is een werkwoord. Het woord betekent: ~ aan: verwijzen naar. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je refereren?
Je vervoegt refereren als volgt: de tegenwoordige tijd is refereer, de verleden tijd is refereerde en het voltooid deelwoord is gerefereerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord refereren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. E 1
  3. F 4
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

refereren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. E 1
  3. F 4
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

refereren in het kort

refereren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van refereren zijn 104 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort refereren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

refereren: ~ aan: verwijzen naar
Deel refereren — standaardnederlands.nl