redeneren
werkwoordBetekenis
- trachten een logisch samenhangend betoog te houden
Vervoeging van redeneren
redenerenhele werkwoord — redeneerdeverleden tijd enkelvoud — redeneerdenverleden tijd meervoud — geredeneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | redeneer | redeneerde |
| jij | redeneert | redeneerde |
| hij, zij, het | redeneert | redeneerde |
| wij | redeneren | redeneerden |
| jullie | redeneren | redeneerden |
| zij | redeneren | redeneerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geredeneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geredeneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geredeneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geredeneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geredeneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geredeneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geredeneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geredeneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geredeneerd | verleden tijd, deelwoord |
| geredeneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geredeneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geredeneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geredeneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geredeneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geredeneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geredeneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geredeneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geredeneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geredeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geredeneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geredeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geredeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geredeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geredeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geredeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geredeneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| redeneer | gebiedende wijs |
| redeneerde | verleden tijd |
| redenere | aanvoegende wijs |
| redenerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geredeneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te redeneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen redeneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geredeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geredeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geredeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geredeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geredeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geredeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geredeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geredeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geredeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geredeneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geredeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geredeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geredeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen redeneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geredeneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult redeneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘praten, argumenteren’ voor het eerst aangetroffen in 1611
Woordfamilie van redeneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geredeneerd | voltooid deelwoord | redeneren |
| redeneer | gebiedende wijs | redeneren |
| redeneerde | verleden tijd | redeneren |
| redeneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | redeneren |
| redeneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | redeneren |
| redenere | aanvoegende wijs | redeneren |
| redenerend | onvoltooid deelwoord | redeneren |
| redenerende | woordvorm | redeneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van redeneren zijn vastgelegd.