Naar de inhoud

redden

actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen

redden

werkwoord ˈrɛdə(n)

Betekenis

  1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
  2. verlossen, bevrijden

Hoe spreek je redden uit?

/ˈrɛdən/

Redden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈrɛdən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
r rood
ɛ bed
d dak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van redden

reddenhele werkwoord — reddeverleden tijd enkelvoud — geredvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik red redde
jij redt redde
hij, zij, het redt redde
wij redden —
jullie redden —
zij redden —
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gered voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gered impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gered impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gered impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gered impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gered worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gered zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gered worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gered zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gered verleden tijd, deelwoord
gered te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gered te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gered te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gered te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gered te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gered worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gered zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gered zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gered zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gered zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gered voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gered voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gered voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gered voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gered voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gered actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gered voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gered voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gered voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gered voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
red gebiedende wijs
red me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
red u/je , redt je gebiedende wijs
redde verleden tijd
redde aanvoegende wijs
redde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
redde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
redde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
redde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
redde zich aanvoegende wijs
redde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
redde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
redde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
redden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
redden je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
redden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
redden ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
redden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
redden zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
reddend onvoltooid, deelwoord
redt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
redt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
redt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
redt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
redt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
redt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
te hebben gered actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te redden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen redden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gered voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gered voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gered voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gered voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gered hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gered hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gered hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gered worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gered worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gered zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gered zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me redden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal redden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal redden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal redden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich redden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je redden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gered hebben verleden tijd
zich reddend onvoltooid, deelwoord
zijn gered voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gered voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gered hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gered hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gered hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gered zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gered zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gered zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gered hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gered hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gered hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gered zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gered zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gered zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gered hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gered zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gered hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gered hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gered hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gered worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van redden

Vervoeging van redden

reddenhele werkwoord — reddeverleden tijd enkelvoud — geredvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik red redde
jij redt redde
hij, zij, het redt redde
wij redden —
jullie redden —
zij redden —
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gered voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gered impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gered impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gered impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gered impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gered worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gered zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gered worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gered zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gered verleden tijd, deelwoord
gered te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gered te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gered te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gered te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gered te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gered worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gered zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gered zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gered zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gered zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gered voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gered voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gered voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gered voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gered voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gered actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gered voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gered voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gered voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gered voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
red gebiedende wijs
red me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
red u/je , redt je gebiedende wijs
redde verleden tijd
redde aanvoegende wijs
redde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
redde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
redde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
redde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
redde zich aanvoegende wijs
redde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
redde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
redde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
redden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
redden je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
redden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
redden ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
redden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
redden zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
reddend onvoltooid, deelwoord
redt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
redt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
redt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
redt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
redt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
redt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
te hebben gered actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te redden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen redden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gered voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gered voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gered voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gered voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gered voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gered enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gered enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gered hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gered hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gered hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gered worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gered worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gered zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gered zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me redden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal redden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal redden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal redden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich redden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je redden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gered hebben verleden tijd
zich reddend onvoltooid, deelwoord
zijn gered voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gered voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gered voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gered hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gered hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gered hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gered zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gered zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gered zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gered hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gered hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gered hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gered zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gered zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gered zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gered hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gered worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gered zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt redden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gered hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gered hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gered hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gered worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘uit gevaar helpen’ voor het eerst aangetroffen in 1471

Woordfamilie van redden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gered voltooid deelwoord redden
red gebiedende wijs redden
redde verleden tijd redden
reddend onvoltooid deelwoord redden
redt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon redden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van redden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over redden

Hoe spreek ik redden uit?
Zo spreek je redden uit: /ˈrɛdə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van redden?
Redden is een werkwoord. De betekenis is: actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik redden?
Zo vervoeg je redden zo: de tegenwoordige tijd is red, de verleden tijd is redde en het voltooid deelwoord is gered. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op redden?

Op redden rijmen 6 woorden, onder andere wedden, bedden en armageddon. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op redden, uitspraak ˈrɛdən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
wedden 2
bedden 2
armageddon 4
verwedden 3
shredden 2
tweepersoonsbedden 5

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord redden is 9 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. E 1
  3. D 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 9 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

redden levert met Wordfeud minimaal 9 en maximaal 39 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. E 1
  3. D 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 9 zonder bonus
  8. 39 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (R) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

redden telt 6 letters, waarvan 4 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

redden in het kort

redden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van redden staan er 97 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort redden bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

redden: actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
Deel redden — standaardnederlands.nl