Naar de inhoud

ranselen

iemand met een stok of karwats een pak slaag geven

ranselen

werkwoord

Betekenis

  1. iemand met een stok of karwats een pak slaag geven

Vervoeging van ranselen

ranselenhele werkwoord — ranseldeverleden tijd enkelvoud — ranseldenverleden tijd meervoud — geranseldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ransel ranselde
jij ranselt ranselde
hij, zij, het ranselt ranselde
wij ranselen ranselden
jullie ranselen ranselden
zij ranselen ranselden
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is geranseld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geranseld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geranseld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geranseld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geranseld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geranseld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geranseld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geranseld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geranseld verleden tijd, deelwoord
geranseld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geranseld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geranseld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geranseld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geranseld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geranseld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geranseld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geranseld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geranseld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geranseld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geranseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geranseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geranseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geranseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geranseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geranseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geranseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geranseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geranseld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geranseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geranseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geranseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geranseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geranseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geranseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geranseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ransel gebiedende wijs
ranselde verleden tijd
ransele aanvoegende wijs
ranselend onvoltooid, deelwoord
te hebben geranseld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ranselen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ranselen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren geranseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geranseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geranseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden geranseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden geranseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geranseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal geranseld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geranseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geranseld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geranseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geranseld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ranselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ranselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ranselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geranseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou geranseld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geranseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geranseld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geranseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geranseld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ranselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ranselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ranselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geranseld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geranseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geranseld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geranseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geranseld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ranselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ranselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ranselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geranseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ranselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geranseld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geranseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geranseld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geranseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geranseld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ranselen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ranselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ranselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ranselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geranseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ranselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘onbarmhartig slaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1760

Woordfamilie van ranselen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geranseld voltooid deelwoord ranselen
geranselde woordvorm ranselen
ranselde verleden tijd ranselen
ranselden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ranselen
ransele aanvoegende wijs ranselen
ranselend onvoltooid deelwoord ranselen
ranselende woordvorm ranselen
ranselt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ranselen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ranselen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ranselen

Wat is de betekenis van ranselen?
Ranselen is een werkwoord. De betekenis is: iemand met een stok of karwats een pak slaag geven.
Hoe vervoeg ik ranselen?
Zo vervoeg je ranselen zo: de tegenwoordige tijd is ransel, de verleden tijd is ranselde en het voltooid deelwoord is geranseld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ranselen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ranselen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ranselen in het kort

ranselen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van ranselen staan er 65 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ranselen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ranselen: iemand met een stok of karwats een pak slaag geven
Deel ranselen — standaardnederlands.nl