ransel
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een vierkant soort rugzak, zoals deze eertijds door soldaten gedragen werd
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ranselen
- gebiedende wijs van ranselen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ranselen
Vervoeging van ransel
ranselhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘rugtas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1758
Woordfamilie van ransel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ransels | meervoud | ransel |
| ranseltje | woordvorm | ransel |
| ranseltjes | meervoud | ransel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ransel zijn vastgelegd.