racen
werkwoord ˈresə(n)Betekenis
- aan een snelheidswedstrijd deelnemen
- haasten
Hoe spreek je racen uit?
/ˈresən/
Racen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| e | veel |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van racen
racenhele werkwoord — raceteverleden tijd enkelvoud — racetenverleden tijd meervoud — geracetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | race | racete |
| jij | racet | racete |
| hij, zij, het | racet | racete |
| wij | racen | raceten |
| jullie | racen | raceten |
| zij | racen | raceten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geracet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geracet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geracet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geracet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geracet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geracet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geracet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geracet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geracet | verleden tijd, deelwoord |
| geracet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geracet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geracet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geracet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geracet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geracet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geracet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geracet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geracet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geracet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geracet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geracet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geracet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geracet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geracet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geracet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geracet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| race | gebiedende wijs |
| race | aanvoegende wijs |
| racend | onvoltooid, deelwoord |
| racete | verleden tijd |
| te hebben geracet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te racen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen racen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geracet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geracet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geracet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal racen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal racen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal racen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geracet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geracet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geracet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou racen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou racen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou racen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geracet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geracet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geracet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden racen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden racen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden racen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geracet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt racen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geracet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geracet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geracet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen racen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen racen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen racen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen racen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geracet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult racen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van racen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geracet | voltooid deelwoord | racen |
| racend | onvoltooid deelwoord | racen |
| racende | woordvorm | racen |
| racet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | racen |
| racete | verleden tijd | racen |
| raceten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | racen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van racen zijn vastgelegd.