pacen
werkwoord ˈpesənBetekenis
- aangeven met welke snelheid iets moet worden gedaan
- zodat zij hun inspanning optimaal over een race kunnen verdelen
Hoe spreek je pacen uit?
/ˈpesən/
Pacen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| e | veel |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van pacen
pacenhele werkwoord — paceteverleden tijd enkelvoud — pacetenverleden tijd meervoud — gepacetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pace | pacete |
| jij | pacet | pacete |
| hij, zij, het | pacet | pacete |
| wij | pacen | paceten |
| jullie | pacen | paceten |
| zij | pacen | paceten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepacet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepacet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepacet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepacet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepacet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepacet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepacet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepacet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepacet | verleden tijd, deelwoord |
| gepacet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepacet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepacet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepacet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepacet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepacet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepacet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepacet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepacet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepacet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepacet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepacet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepacet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepacet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepacet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepacet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepacet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pace | gebiedende wijs |
| pace | aanvoegende wijs |
| pacend | onvoltooid, deelwoord |
| pacete | verleden tijd |
| te hebben gepacet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pacen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pacen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepacet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepacet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepacet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pacen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pacen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pacen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepacet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepacet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepacet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pacen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pacen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pacen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepacet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepacet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepacet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pacen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pacen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pacen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepacet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pacen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepacet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepacet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepacet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pacen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pacen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pacen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pacen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepacet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pacen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van pacen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepacet | voltooid deelwoord | pacen |
| pace | gebiedende wijs | pacen |
| pacend | onvoltooid deelwoord | pacen |
| pacende | woordvorm | pacen |
| pacet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pacen |
| pacete | verleden tijd | pacen |
| paceten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pacen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pacen zijn vastgelegd.