push
zelfstandig naamwoord, werkwoord puʃBetekenis
- duwende slag waardoor een bal zich in een rechte lijn voortbeweegt
- (hockey) slag waarbij de stick bijna rechtop achter de bal wordt gehouden om die met een harde duw vooruit in beweging te brengen
- (golf) slag waarbij de bal zich bij een rechtshandige speler recht naar een punt rechts van het doel beweegt, of bij een linkshandige speler links van het doel
- energie
- steun om vooruitgang te boeken
- bericht dat automatisch wordt toegezonden
- bewerking waarbij een gegevenselement aan een stack ('stapel') wordt toegevoegd
- duwen
Hoe spreek je push uit?
/puʃ/
Push bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| u | boek |
| ʃ | sjaal |
zelfstandig naamwoord — masculine
- drijvende kracht, energie figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pushes | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pushen
- gebiedende wijs van pushen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pushen
Vervoeging van push
pushhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘stuwkracht’ voor het eerst aangetroffen in 1950
Woordfamilie van push
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pushes | meervoud | push |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van push zijn vastgelegd.