pus
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
- half
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pussen
- gebiedende wijs van pussen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pussen
Vervoeging van pus
pushele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘etter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1755