douche
zelfstandig naamwoord, werkwoord /duʃ/Betekenis
- stortbad, druipbad
- een instrument voor vrouwelijke hygiene.
- stortbad
Hoe spreek je douche uit?
/duʃ/
Douche bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| u | boek |
| ʃ | sjaal |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bad [1] in de vorm van een neerwaartse waterstraal die op het lichaam belandt
- spuitstuk met kraan, als onderdeel van [1]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| doucheje | verkleinwoord, enkelvoud |
| douchejes | verkleinwoord, meervoud |
| douches | meervoud |
Woordvorm
- aanvoegende wijs van douchen
Vervoeging van douche
douchehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘stortbad’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van douche
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doucheje | verkleinwoord | douche |
| douchejes | verkleinwoord meervoud | douche |
| douches | meervoud | douche |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van douche zijn vastgelegd.