impuls
zelfstandig naamwoord /ɪmˈpʏls/Betekenis
- innerlijke drang, opwelling bijv. een driftimpuls, dwangimpuls
- een vector wiens lengte gelijk is aan het product van massa en snelheid
- stimulering, een duw in de rug bijv. een groei-impuls, kwaliteitsimpuls
- kortstondige elektrische spanning of stroom (de ideale puls is oneindig kort en heeft een energieinhoud van één)
- wat door een zenuw als gevolg van een prikkel overgebracht wordt, zenuwprikkel
Hoe spreek je impuls uit?
/ɪmˈpʏls/
Impuls bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| m | maan |
| p | pak |
| ʏ | put |
| l | land |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| impulsen | meervoud |
| impulsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| impulsjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘prikkel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
Woordfamilie van impuls
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| impulsen | meervoud | impuls |
| impulsje | verkleinwoord | impuls |
| impulsjes | verkleinwoord meervoud | impuls |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van impuls zijn vastgelegd.