Naar de inhoud

primeren

prevaleren, voorgaan

primeren

werkwoord

Betekenis

  1. prevaleren, voorgaan

Vervoeging van primeren

primerenhele werkwoord — primeerdeverleden tijd enkelvoud — primeerdenverleden tijd meervoud — geprimeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik primeer primeerde
jij primeert primeerde
hij, zij, het primeert primeerde
wij primeren primeerden
jullie primeren primeerden
zij primeren primeerden
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is geprimeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geprimeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geprimeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geprimeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geprimeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geprimeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geprimeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geprimeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geprimeerd verleden tijd, deelwoord
geprimeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprimeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprimeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprimeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprimeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprimeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprimeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprimeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprimeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprimeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geprimeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geprimeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geprimeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geprimeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geprimeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geprimeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geprimeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geprimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprimeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geprimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geprimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geprimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geprimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
primeer gebiedende wijs
primeerde verleden tijd
primere aanvoegende wijs
primerend onvoltooid, deelwoord
te hebben geprimeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te primeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen primeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren geprimeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geprimeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geprimeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden geprimeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden geprimeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geprimeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal geprimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geprimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geprimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geprimeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal primeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal primeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal primeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geprimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou geprimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geprimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geprimeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou primeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou primeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou primeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geprimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprimeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden primeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden primeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden primeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geprimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt primeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geprimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprimeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen primeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen primeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen primeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen primeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geprimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult primeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse primer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van primeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geprimeerd voltooid deelwoord primeren
geprimeerde woordvorm primeren
primeer gebiedende wijs primeren
primeerde verleden tijd primeren
primeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon primeren
primeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon primeren
primere aanvoegende wijs primeren
primerend onvoltooid deelwoord primeren
primerende woordvorm primeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van primeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over primeren

Wat is de betekenis van primeren?
Primeren is een werkwoord. De betekenis is: prevaleren, voorgaan.
Hoe vervoeg ik primeren?
Zo vervoeg je primeren zo: de tegenwoordige tijd is primeer, de verleden tijd is primeerde en het voltooid deelwoord is geprimeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord primeren is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. I 1
  4. M 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

primeren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. I 2
  4. M 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

primeren in het kort

primeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van primeren staan er 65 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort primeren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

primeren: prevaleren, voorgaan
Deel primeren — standaardnederlands.nl