prediceren
werkwoordBetekenis
- voorspellen
werkwoord
- iets zeggen, iets beweren (vooral ) transitive
Vervoeging van prediceren
predicerenhele werkwoord — prediceerdeverleden tijd enkelvoud — prediceerdenverleden tijd meervoud — geprediceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | prediceer | prediceerde |
| jij | prediceert | prediceerde |
| hij, zij, het | prediceert | prediceerde |
| wij | prediceren | prediceerden |
| jullie | prediceren | prediceerden |
| zij | prediceren | prediceerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geprediceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geprediceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geprediceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geprediceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geprediceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geprediceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geprediceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geprediceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geprediceerd | verleden tijd, deelwoord |
| geprediceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geprediceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geprediceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprediceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprediceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprediceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geprediceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geprediceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geprediceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geprediceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geprediceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geprediceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geprediceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geprediceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geprediceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geprediceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geprediceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprediceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| prediceer | gebiedende wijs |
| prediceerde | verleden tijd |
| predicere | aanvoegende wijs |
| predicerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geprediceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te prediceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen prediceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geprediceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geprediceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geprediceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geprediceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geprediceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geprediceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geprediceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geprediceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geprediceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprediceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geprediceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geprediceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprediceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geprediceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geprediceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprediceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprediceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprediceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprediceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprediceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geprediceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprediceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprediceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geprediceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprediceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprediceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geprediceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geprediceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geprediceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprediceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprediceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geprediceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprediceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprediceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen prediceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geprediceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geprediceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geprediceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult prediceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse prédiquer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van prediceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geprediceerd | voltooid deelwoord | prediceren |
| geprediceerde | woordvorm | prediceren |
| prediceer | gebiedende wijs | prediceren |
| prediceerde | verleden tijd | prediceren |
| prediceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | prediceren |
| prediceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | prediceren |
| predicere | aanvoegende wijs | prediceren |
| predicerend | onvoltooid deelwoord | prediceren |
| predicerende | woordvorm | prediceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prediceren zijn vastgelegd.