Naar de inhoud

prediceren

voorspellen

prediceren

werkwoord

Betekenis

  1. voorspellen

werkwoord

  1. iets zeggen, iets beweren (vooral ) transitive

Vervoeging van prediceren

predicerenhele werkwoord — prediceerdeverleden tijd enkelvoud — prediceerdenverleden tijd meervoud — geprediceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik prediceer prediceerde
jij prediceert prediceerde
hij, zij, het prediceert prediceerde
wij prediceren prediceerden
jullie prediceren prediceerden
zij prediceren prediceerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geprediceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geprediceerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geprediceerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geprediceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geprediceerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geprediceerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geprediceerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geprediceerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geprediceerd verleden tijd, deelwoord
geprediceerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprediceerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprediceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprediceerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprediceerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprediceerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprediceerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprediceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprediceerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprediceerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geprediceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geprediceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geprediceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geprediceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geprediceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geprediceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geprediceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprediceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
prediceer gebiedende wijs
prediceerde verleden tijd
predicere aanvoegende wijs
predicerend onvoltooid, deelwoord
te hebben geprediceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te prediceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen prediceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geprediceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geprediceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geprediceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geprediceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geprediceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geprediceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geprediceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geprediceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geprediceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprediceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geprediceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geprediceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprediceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal prediceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal prediceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal prediceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geprediceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geprediceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprediceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprediceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprediceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprediceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprediceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou prediceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou prediceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou prediceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geprediceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprediceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprediceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprediceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprediceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprediceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden prediceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden prediceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden prediceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geprediceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geprediceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt prediceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geprediceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprediceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprediceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprediceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprediceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprediceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen prediceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen prediceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen prediceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen prediceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geprediceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geprediceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geprediceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult prediceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse prédiquer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van prediceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geprediceerd voltooid deelwoord prediceren
geprediceerde woordvorm prediceren
prediceer gebiedende wijs prediceren
prediceerde verleden tijd prediceren
prediceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon prediceren
prediceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon prediceren
predicere aanvoegende wijs prediceren
predicerend onvoltooid deelwoord prediceren
predicerende woordvorm prediceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prediceren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over prediceren

Wat is de betekenis van prediceren?
Prediceren is een werkwoord. De betekenis is: voorspellen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik prediceren?
Zo vervoeg je prediceren zo: de tegenwoordige tijd is prediceer, de verleden tijd is prediceerde en het voltooid deelwoord is geprediceerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord prediceren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. E 1
  4. D 2
  5. I 1
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

prediceren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. E 1
  4. D 2
  5. I 2
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

prediceren in het kort

prediceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van prediceren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort prediceren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

prediceren: voorspellen
Deel prediceren — standaardnederlands.nl