plooien
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iets in losse vouwen opstapelen
- rimpelen van het gezicht, veranderen van gezichtsuitdrukking
- geschikt maken, vormen, ombuigen
- zich schikken naar
- buigen van een gewricht
Vervoeging van plooien
plooienhele werkwoord — plooideverleden tijd enkelvoud — plooidenverleden tijd meervoud — geplooidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plooi | plooide |
| jij | plooit | plooide |
| hij, zij, het | plooit | plooide |
| wij | plooien | plooiden |
| jullie | plooien | plooiden |
| zij | plooien | plooiden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geplooid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geplooid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geplooid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geplooid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geplooid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geplooid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geplooid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geplooid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geplooid | verleden tijd, deelwoord |
| geplooid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geplooid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geplooid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplooid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplooid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplooid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geplooid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geplooid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geplooid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geplooid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geplooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geplooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geplooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geplooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geplooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geplooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geplooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plooi | gebiedende wijs |
| plooi me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| plooi u/je , plooit je | gebiedende wijs |
| plooide | verleden tijd |
| plooide je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| plooide me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| plooide u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| plooide u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| plooide zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| plooide zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| plooide zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| plooiden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| plooiden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| plooiden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| plooie | aanvoegende wijs |
| plooie zich | aanvoegende wijs |
| plooien je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| plooien ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| plooien zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| plooiend | onvoltooid, deelwoord |
| plooit je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| plooit u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| plooit u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| plooit zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| plooit zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| plooit zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben geplooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te plooien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen plooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geplooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geplooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geplooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geplooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geplooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geplooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geplooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geplooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geplooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geplooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geplooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geplooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geplooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geplooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geplooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geplooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geplooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geplooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geplooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geplooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geplooid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplooid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geplooid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplooid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me plooien | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal plooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal plooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal plooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich plooien | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je plooien | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geplooid hebben | verleden tijd |
| zich plooiend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geplooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geplooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou plooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou plooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou plooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geplooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geplooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geplooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geplooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden plooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden plooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden plooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geplooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geplooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt plooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geplooid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord plooi
Herkomst
afgeleid van plooi met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van plooien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geplooid | voltooid deelwoord | plooien |
| plooide | verleden tijd | plooien |
| plooiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | plooien |
| plooie | aanvoegende wijs | plooien |
| plooiend | onvoltooid deelwoord | plooien |
| plooiende | woordvorm | plooien |
| plooit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | plooien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plooien zijn vastgelegd.