plooi
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- golving (in dierlijk of plantaardig weefsel)
- golving in een aardlaag of in gesteente
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plooien | meervoud |
| plooitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| plooitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plooien
- gebiedende wijs van plooien
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plooien
Vervoeging van plooi
plooihele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rimpel’ voor het eerst aangetroffen in 1327
Woordfamilie van plooi
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plooitje | verkleinwoord | plooi |
| plooitjes | verkleinwoord meervoud | plooi |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plooi zijn vastgelegd.