pitchen
werkwoordBetekenis
- (bij honkbal) de bal gooien naar de slagman
- presenteren
werkwoord
- de bal gooien naar de slagman transitive
Vervoeging van pitchen
pitchenhele werkwoord — pitchteverleden tijd enkelvoud — pitchtenverleden tijd meervoud — gepitchtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pitch | pitchte |
| jij | pitcht | pitchte |
| hij, zij, het | pitcht | pitchte |
| wij | pitchen | pitchten |
| jullie | pitchen | pitchten |
| zij | pitchen | pitchten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepitcht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepitcht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepitcht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepitcht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepitcht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepitcht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepitcht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepitcht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepitcht | verleden tijd, deelwoord |
| gepitcht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepitcht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepitcht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepitcht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepitcht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepitcht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepitcht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepitcht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepitcht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepitcht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepitcht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepitcht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepitcht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepitcht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepitcht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepitcht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepitcht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pitch | gebiedende wijs |
| pitche | aanvoegende wijs |
| pitchend | onvoltooid, deelwoord |
| pitchte | verleden tijd |
| te hebben gepitcht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pitchen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pitchen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepitcht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepitcht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepitcht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepitcht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepitcht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepitcht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepitcht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepitcht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepitcht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepitcht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepitcht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepitcht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepitcht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pitchen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepitcht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pitchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Engelse pitch met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van pitchen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepitcht | voltooid deelwoord | pitchen |
| gepitchte | woordvorm | pitchen |
| pitche | aanvoegende wijs | pitchen |
| pitchend | onvoltooid deelwoord | pitchen |
| pitchende | woordvorm | pitchen |
| pitcht | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pitchen |
| pitchte | verleden tijd | pitchen |
| pitchten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pitchen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pitchen zijn vastgelegd.