pitcher
zelfstandig naamwoord ˈpɪtʃərBetekenis
- de speler in een honkbalteam die de bal naar de slagman van de tegenpartij werpt
- een schenkkan met een brede tuitvormige uitstroomopening
Hoe spreek je pitcher uit?
/ˈpɪtʃər/
Pitcher bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pitchers | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘die de bal naar de slagman werpt’ voor het eerst aangetroffen in 1958
Woordfamilie van pitcher
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pitchers | meervoud | pitcher |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pitcher zijn vastgelegd.