Naar de inhoud

overschenken

van de ene houder in de andere schenken

overschenken

werkwoord

Betekenis

  1. van de ene houder in de andere schenken

Vervoeging van overschenken

overschenkenhele werkwoord — schonk oververleden tijd enkelvoud — schonken oververleden tijd meervoud — overgeschonkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schenk over schonk over
jij schenkt over schonk over
hij, zij, het schenkt over schonk over
wij schenken over schonken over
jullie schenken over schonken over
zij schenken over schonken over
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is overgeschonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was overgeschonken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd overgeschonken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt overgeschonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal overgeschonken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overgeschonken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou overgeschonken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overgeschonken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had overgeschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overgeschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overgeschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overgeschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgeschonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
over te schenken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
over te zullen schenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
over zal schenken bijzin, toekomende tijd
over zou schenken bijzin, voorwaardelijk
over zouden schenken bijzin, voorwaardelijk
over zoudt schenken bijzin, voorwaardelijk
over zullen schenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
over zullen schenken bijzin, toekomende tijd
over zult schenken bijzin, toekomende tijd
overgeschonken verleden tijd, deelwoord
overgeschonken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overgeschonken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overgeschonken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschonken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschonken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschonken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overgeschonken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overgeschonken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overgeschonken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overgeschonken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschenk bijzin, tegenwoordige tijd
overschenkend onvoltooid, deelwoord
overschenkt bijzin, tegenwoordige tijd
overschonk bijzin, verleden tijd
overschonken bijzin, verleden tijd
schenk over gebiedende wijs
schonk over verleden tijd
te hebben overgeschonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overschenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart overgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgeschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgeschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overgeschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overgeschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt overgeschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal overgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal overgeschonken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overgeschonken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal overschenken bijzin, toekomende tijd
zijn overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt overgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou overgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overgeschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overgeschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overgeschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou overschenken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) overschenken over zou(dt) schenken bijzin, voorwaardelijk
zouden overgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overgeschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overgeschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overgeschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden overschenken bijzin, voorwaardelijk
zoudt overgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overgeschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt overschenken bijzin, voorwaardelijk
zullen overgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overgeschonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overgeschonken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overgeschonken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overgeschonken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overschenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen overschenken bijzin, toekomende tijd
zult overgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van over en schenken

Woordfamilie van overschenken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
overgeschonken voltooid deelwoord overschenken
overschenk subordinate-clause, tegenwoordige tijd overschenken
overschenke with-subordinate-clause overschenken
overschenkend onvoltooid deelwoord overschenken
overschenkende woordvorm overschenken
overschenkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd overschenken
overschonk subordinate-clause, verleden tijd overschenken
overschonken subordinate-clause, verleden tijd overschenken
schenk over gebiedende wijs overschenken
schenke over woordvorm overschenken
schenken over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon overschenken
schenkt over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon overschenken
schonk over verleden tijd overschenken
schonken over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon overschenken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overschenken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over overschenken

Wat is de betekenis van overschenken?
Overschenken is een werkwoord. De betekenis is: van de ene houder in de andere schenken.
Hoe vervoeg ik overschenken?
Zo vervoeg je overschenken zo: het voltooid deelwoord is overgeschonken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overschenken is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. K 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overschenken levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. K 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 26 zonder bonus
  14. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overschenken in het kort

overschenken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van overschenken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort overschenken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

overschenken: van de ene houder in de andere schenken
Deel overschenken — standaardnederlands.nl