overschenken
werkwoordBetekenis
- van de ene houder in de andere schenken
Vervoeging van overschenken
overschenkenhele werkwoord — schonk oververleden tijd enkelvoud — schonken oververleden tijd meervoud — overgeschonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schenk over | schonk over |
| jij | schenkt over | schonk over |
| hij, zij, het | schenkt over | schonk over |
| wij | schenken over | schonken over |
| jullie | schenken over | schonken over |
| zij | schenken over | schonken over |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is overgeschonken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overgeschonken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overgeschonken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overgeschonken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overgeschonken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overgeschonken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overgeschonken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overgeschonken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had overgeschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overgeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overgeschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overgeschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overgeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overgeschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overgeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgeschonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| over te schenken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen schenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal schenken | bijzin, toekomende tijd |
| over zou schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen schenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen schenken | bijzin, toekomende tijd |
| over zult schenken | bijzin, toekomende tijd |
| overgeschonken | verleden tijd, deelwoord |
| overgeschonken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgeschonken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgeschonken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgeschonken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgeschonken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgeschonken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgeschonken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgeschonken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgeschonken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgeschonken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overschenk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overschenkend | onvoltooid, deelwoord |
| overschenkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overschonk | bijzin, verleden tijd |
| overschonken | bijzin, verleden tijd |
| schenk over | gebiedende wijs |
| schonk over | verleden tijd |
| te hebben overgeschonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overschenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overgeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgeschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overgeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgeschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overgeschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overgeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overgeschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overgeschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal overgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal overgeschonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgeschonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal overschenken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt overgeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou overgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgeschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgeschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgeschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou overschenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) overschenken over zou(dt) schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden overgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overgeschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgeschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgeschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden overschenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt overgeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overgeschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt overschenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen overgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overgeschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overgeschonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgeschonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgeschonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overschenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen overschenken | bijzin, toekomende tijd |
| zult overgeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van over en schenken
Woordfamilie van overschenken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overgeschonken | voltooid deelwoord | overschenken |
| overschenk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overschenken |
| overschenke | with-subordinate-clause | overschenken |
| overschenkend | onvoltooid deelwoord | overschenken |
| overschenkende | woordvorm | overschenken |
| overschenkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overschenken |
| overschonk | subordinate-clause, verleden tijd | overschenken |
| overschonken | subordinate-clause, verleden tijd | overschenken |
| schenk over | gebiedende wijs | overschenken |
| schenke over | woordvorm | overschenken |
| schenken over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | overschenken |
| schenkt over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overschenken |
| schonk over | verleden tijd | overschenken |
| schonken over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overschenken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overschenken zijn vastgelegd.