Naar de inhoud

overschatten

iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt

overschatten

werkwoord

Betekenis

  1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt

Vervoeging van overschatten

overschattenhele werkwoord — overschatteverleden tijd enkelvoud — schatten oververleden tijd meervoud — overgeschatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik overschat overschatte
jij overschat overschatte
hij, zij, het overschat overschatte
wij schatten over schatten over
jullie schatten over schatten over
zij schatten over schatten over
Alle 298 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is overgeschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er is overschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was overgeschat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er was overschat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd overgeschat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er werd overschat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt overgeschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er wordt overschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal overgeschat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overgeschat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zal overschat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overschat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou overgeschat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overgeschat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
er zou overschat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overschat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
had overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb overschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgeschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben overschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
over te schatten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
over te zullen schatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
over zal schatten bijzin, toekomende tijd
over zou schatten bijzin, voorwaardelijk
over zouden schatten bijzin, voorwaardelijk
over zoudt schatten bijzin, voorwaardelijk
over zullen schatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
over zullen schatten bijzin, toekomende tijd
over zult schatten bijzin, toekomende tijd
overgeschat verleden tijd, deelwoord
overgeschat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overgeschat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overgeschat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overgeschat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overgeschat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overgeschat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overgeschat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschat gebiedende wijs
overschat verleden tijd, deelwoord
overschat bijzin, tegenwoordige tijd
overschat je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overschat me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overschat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overschat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overschat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overschat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overschat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overschat u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschat u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschat u/je , overschat je gebiedende wijs
overschat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overschat zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overschat zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschat zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overschat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschatte verleden tijd
overschatte aanvoegende wijs
overschatte bijzin, verleden tijd
overschatte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschatte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschatte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
overschatte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overschatte zich aanvoegende wijs
overschatte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschatte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
overschatte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschatten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschatten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschattend onvoltooid, deelwoord
overschátten canonical
schat over gebiedende wijs
te hebben overgeschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben overschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te overschatten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overschatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd overgeschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overgeschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd overgeschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werd overschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon

werkwoord

  1. opnieuw schatten transitive

Vervoeging van overschatten

overschattenhele werkwoord — overschatteverleden tijd enkelvoud — schatten oververleden tijd meervoud — overgeschatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik overschat overschatte
jij overschat overschatte
hij, zij, het overschat overschatte
wij schatten over schatten over
jullie schatten over schatten over
zij schatten over schatten over
Alle 298 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is overgeschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er is overschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was overgeschat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er was overschat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd overgeschat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er werd overschat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt overgeschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er wordt overschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal overgeschat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overgeschat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zal overschat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overschat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou overgeschat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overgeschat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
er zou overschat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overschat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
had overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb overschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgeschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben overschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
over te schatten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
over te zullen schatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
over zal schatten bijzin, toekomende tijd
over zou schatten bijzin, voorwaardelijk
over zouden schatten bijzin, voorwaardelijk
over zoudt schatten bijzin, voorwaardelijk
over zullen schatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
over zullen schatten bijzin, toekomende tijd
over zult schatten bijzin, toekomende tijd
overgeschat verleden tijd, deelwoord
overgeschat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overgeschat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overgeschat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overgeschat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overgeschat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overgeschat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overgeschat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschat gebiedende wijs
overschat verleden tijd, deelwoord
overschat bijzin, tegenwoordige tijd
overschat je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overschat me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overschat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overschat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overschat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overschat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overschat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overschat u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschat u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschat u/je , overschat je gebiedende wijs
overschat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overschat zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overschat zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschat zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overschat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschatte aanvoegende wijs
overschatte bijzin, verleden tijd
overschatte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschatte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschatte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
overschatte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overschatte zich aanvoegende wijs
overschatte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschatte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
overschatte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschatten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschatten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschattend onvoltooid, deelwoord
schat over gebiedende wijs
schatte over verleden tijd
te hebben overgeschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben overschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te overschatten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overschatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd overgeschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overgeschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd overgeschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werd overschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd overschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van overschatten
  • meervoud verleden tijd van overschatten

Vervoeging van overschatten

overschattenhele werkwoord — overschatteverleden tijd enkelvoud — schatten oververleden tijd meervoud — overgeschatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik overschat overschatte
jij overschat overschatte
hij, zij, het overschat overschatte
wij schatten over schatten over
jullie schatten over schatten over
zij schatten over schatten over
Alle 299 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is overgeschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er is overschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was overgeschat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er was overschat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd overgeschat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er werd overschat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt overgeschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er wordt overschat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal overgeschat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overgeschat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zal overschat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overschat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou overgeschat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overgeschat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
er zou overschat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overschat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
had overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb overschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgeschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben overschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overgeschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is overschat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overschat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
over te schatten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
over te zullen schatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
over zal schatten bijzin, toekomende tijd
over zou schatten bijzin, voorwaardelijk
over zouden schatten bijzin, voorwaardelijk
over zoudt schatten bijzin, voorwaardelijk
over zullen schatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
over zullen schatten bijzin, toekomende tijd
over zult schatten bijzin, toekomende tijd
overgeschat verleden tijd, deelwoord
overgeschat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overgeschat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overgeschat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgeschat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overgeschat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overgeschat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overgeschat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overgeschat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschat gebiedende wijs
overschat verleden tijd, deelwoord
overschat bijzin, tegenwoordige tijd
overschat je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overschat me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overschat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overschat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overschat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overschat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overschat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overschat u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschat u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschat u/je , overschat je gebiedende wijs
overschat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overschat zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overschat zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschat zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overschat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overschatte aanvoegende wijs
overschatte bijzin, verleden tijd
overschatte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschatte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschatte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
overschatte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overschatte zich aanvoegende wijs
overschatte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
overschatte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
overschatte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschatten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschatten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
overschatten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overschattend onvoltooid, deelwoord
overschátten canonical
schat over gebiedende wijs
schatte over verleden tijd
te hebben overgeschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben overschat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te overschatten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overschatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overgeschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overgeschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overgeschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overschat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overschat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overschat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd overgeschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overgeschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd overgeschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werd overschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overschat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van over en schatten

Woordfamilie van overschatten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
overgeschat voltooid deelwoord overschatten
overgeschatte woordvorm overschatten
overschat voltooid deelwoord overschatten
overschatte verleden tijd overschatten
overschattend onvoltooid deelwoord overschatten
overschattende woordvorm overschatten
schat over gebiedende wijs overschatten
schatte over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon overschatten
schatten over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon overschatten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overschatten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over overschatten

Wat is de betekenis van overschatten?
Overschatten is een werkwoord. De betekenis is: iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik overschatten?
Zo vervoeg je overschatten zo: de tegenwoordige tijd is overschat, de verleden tijd is overschatte en het voltooid deelwoord is overgeschat. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overschatten is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. A 1
  9. T 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overschatten levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. A 1
  9. T 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 26 zonder bonus
  14. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overschatten in het kort

overschatten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van overschatten staan er 169 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort overschatten bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

overschatten: iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
Deel overschatten — standaardnederlands.nl