Naar de inhoud

overkoken

door koken het vat uitrijzen

overkoken

werkwoord

Betekenis

  1. door koken het vat uitrijzen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van overkoken

overkokenhele werkwoord — kookte oververleden tijd enkelvoud — kookten oververleden tijd meervoud — overgekooktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kook over kookte over
jij kookt over kookte over
hij, zij, het kookt over kookte over
wij koken over kookten over
jullie koken over kookten over
zij koken over kookten over
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben overgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent overgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is overgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kook over gebiedende wijs
kookte over verleden tijd
over te koken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
over te zullen koken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
over zal koken bijzin, toekomende tijd
over zou koken bijzin, voorwaardelijk
over zouden koken bijzin, voorwaardelijk
over zoudt koken bijzin, voorwaardelijk
over zullen koken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
over zullen koken bijzin, toekomende tijd
over zult koken bijzin, toekomende tijd
overgekookt verleden tijd, deelwoord
overgekookt te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgekookt zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overkokend onvoltooid, deelwoord
overkook bijzin, tegenwoordige tijd
overkookt bijzin, tegenwoordige tijd
overkookte bijzin, verleden tijd
overkookten bijzin, verleden tijd
te zijn overgekookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overkoken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart overgekookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgekookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overgekookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgekookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overgekookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overgekookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overgekookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal overgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal overkoken bijzin, toekomende tijd
zijn overgekookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn overgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn overgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn overgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt overgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou overgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou overkoken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) overkoken over zou(dt) koken bijzin, voorwaardelijk
zouden overgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden overkoken bijzin, voorwaardelijk
zoudt overgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt overkoken bijzin, voorwaardelijk
zullen overgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overkoken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen overkoken bijzin, toekomende tijd
zult overgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult overkoken bijzin, toekomende tijd
zult/zal overkoken over zult/zal koken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van over en koken

Woordfamilie van overkoken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
koke over woordvorm overkoken
koken over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon overkoken
kook over gebiedende wijs overkoken
kookt over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon overkoken
kookte over verleden tijd overkoken
kookten over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon overkoken
overgekookt voltooid deelwoord overkoken
overgekookte woordvorm overkoken
overkoke with-subordinate-clause overkoken
overkokend onvoltooid deelwoord overkoken
overkokende woordvorm overkoken
overkook subordinate-clause, tegenwoordige tijd overkoken
overkookt subordinate-clause, tegenwoordige tijd overkoken
overkookte subordinate-clause, verleden tijd overkoken
overkookten subordinate-clause, verleden tijd overkoken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overkoken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over overkoken

Wat is de betekenis van overkoken?
Overkoken is een werkwoord. De betekenis is: door koken het vat uitrijzen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik overkoken?
Zo vervoeg je overkoken zo: het voltooid deelwoord is overgekookt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overkoken is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. K 3
  6. O 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overkoken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. K 3
  6. O 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overkoken in het kort

overkoken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van overkoken staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort overkoken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

overkoken: door koken het vat uitrijzen
Deel overkoken — standaardnederlands.nl