overkoken
werkwoordBetekenis
- door koken het vat uitrijzen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van overkoken
overkokenhele werkwoord — kookte oververleden tijd enkelvoud — kookten oververleden tijd meervoud — overgekooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kook over | kookte over |
| jij | kookt over | kookte over |
| hij, zij, het | kookt over | kookte over |
| wij | koken over | kookten over |
| jullie | koken over | kookten over |
| zij | koken over | kookten over |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben overgekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overgekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is overgekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overgekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kook over | gebiedende wijs |
| kookte over | verleden tijd |
| over te koken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen koken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal koken | bijzin, toekomende tijd |
| over zou koken | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden koken | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt koken | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen koken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen koken | bijzin, toekomende tijd |
| over zult koken | bijzin, toekomende tijd |
| overgekookt | verleden tijd, deelwoord |
| overgekookt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgekookt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overkokend | onvoltooid, deelwoord |
| overkook | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overkookt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overkookte | bijzin, verleden tijd |
| overkookten | bijzin, verleden tijd |
| te zijn overgekookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overkoken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overgekookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgekookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overgekookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgekookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overgekookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overgekookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overgekookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal overgekookt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgekookt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overgekookt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal overkoken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn overgekookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn overgekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn overgekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn overgekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt overgekookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou overgekookt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgekookt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgekookt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou overkoken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) overkoken over zou(dt) koken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden overgekookt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgekookt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgekookt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden overkoken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt overgekookt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt overkoken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen overgekookt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgekookt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgekookt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overkoken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen overkoken | bijzin, toekomende tijd |
| zult overgekookt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overkoken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult overkoken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal overkoken over zult/zal koken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van over en koken
Woordfamilie van overkoken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koke over | woordvorm | overkoken |
| koken over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | overkoken |
| kook over | gebiedende wijs | overkoken |
| kookt over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overkoken |
| kookte over | verleden tijd | overkoken |
| kookten over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overkoken |
| overgekookt | voltooid deelwoord | overkoken |
| overgekookte | woordvorm | overkoken |
| overkoke | with-subordinate-clause | overkoken |
| overkokend | onvoltooid deelwoord | overkoken |
| overkokende | woordvorm | overkoken |
| overkook | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overkoken |
| overkookt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overkoken |
| overkookte | subordinate-clause, verleden tijd | overkoken |
| overkookten | subordinate-clause, verleden tijd | overkoken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overkoken zijn vastgelegd.