overkoepelen
werkwoordBetekenis
- met een koepelconstuctie overdekken
- overdrachtelijk onder een grotere organisatie onderbrengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van overkoepelen
overkoepelenhele werkwoord — overkoepeldeverleden tijd enkelvoud — overkoepeldenverleden tijd meervoud — overkoepeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overkoepel | overkoepelde |
| jij | overkoepelt | overkoepelde |
| hij, zij, het | overkoepelt | overkoepelde |
| wij | overkoepelen | overkoepelden |
| jullie | overkoepelen | overkoepelden |
| zij | overkoepelen | overkoepelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is overkoepeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overkoepeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overkoepeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overkoepeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overkoepeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overkoepeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overkoepeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overkoepeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had overkoepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overkoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overkoepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overkoepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overkoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overkoepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overkoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overkoepeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| overkoepel | gebiedende wijs |
| overkoepeld | verleden tijd, deelwoord |
| overkoepeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overkoepeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overkoepeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overkoepeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overkoepeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overkoepeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overkoepeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overkoepeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overkoepeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overkoepeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overkoepelde | verleden tijd |
| overkoepele | aanvoegende wijs |
| overkoepelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben overkoepeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overkoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overkoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overkoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overkoepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overkoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overkoepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overkoepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overkoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overkoepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overkoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal overkoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overkoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overkoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal overkoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overkoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt overkoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou overkoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overkoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overkoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overkoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overkoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overkoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden overkoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overkoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overkoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overkoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overkoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overkoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt overkoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overkoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen overkoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overkoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overkoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overkoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overkoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overkoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overkoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult overkoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overkoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overkoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overkoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstellende afleiding van over (bijwoord) en koepel (zelfstandig naamwoord) met het achtervoegsel -en dat een (werkwoord) vormt
Woordfamilie van overkoepelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overkoepel | gebiedende wijs | overkoepelen |
| overkoepeld | voltooid deelwoord | overkoepelen |
| overkoepelde | verleden tijd | overkoepelen |
| overkoepelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overkoepelen |
| overkoepele | aanvoegende wijs | overkoepelen |
| overkoepelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overkoepelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overkoepelen zijn vastgelegd.