orakel
zelfstandig naamwoord, werkwoord oˈrakəlBetekenis
- een persoon die geraadpleegd kan worden voor het doen van voorspellingen
- persoon die als vraagbaak dient, een alwetende
Hoe spreek je orakel uit?
/oˈrakəl/
Orakel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| r | rood |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- persoon die geraadpleegd kan worden voor het doen van voorspellingen
- profetische boodschap, vaak geformuleerd in vage bewoordingen
- persoon die als vraagbaak dient, iemand die als alwetend wordt beschouwd figuratively, pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| orakelen | meervoud |
| orakels | meervoud |
| orakeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| orakeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van orakelen
- gebiedende wijs van orakelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van orakelen
Vervoeging van orakel
orakelhele werkwoord
Herkomst
via Frans oracle van Latijn oraculum, in de betekenis van ‘godsspraak’ aangetroffen vanaf 1556
Woordfamilie van orakel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| orakels | meervoud | orakel |
| orakeltje | verkleinwoord | orakel |
| orakeltjes | verkleinwoord meervoud | orakel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van orakel zijn vastgelegd.