orakelen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- als een orakel verkondigen
Vervoeging van orakelen
orakelenhele werkwoord — orakeldeverleden tijd enkelvoud — orakeldenverleden tijd meervoud — georakeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | orakel | orakelde |
| jij | orakelt | orakelde |
| hij, zij, het | orakelt | orakelde |
| wij | orakelen | orakelden |
| jullie | orakelen | orakelden |
| zij | orakelen | orakelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is georakeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was georakeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd georakeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt georakeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal georakeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal georakeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou georakeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou georakeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| georakeld | verleden tijd, deelwoord |
| georakeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| georakeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had georakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had georakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had georakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden georakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden georakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden georakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt georakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb georakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben georakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben georakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben georakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben georakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt georakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft georakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft georakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| orakel | gebiedende wijs |
| orakelde | verleden tijd |
| orakele | aanvoegende wijs |
| orakelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben georakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te orakelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen orakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal georakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal georakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal georakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou georakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou georakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou georakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden georakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden georakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden georakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt georakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen georakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen georakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen georakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen orakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult georakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult orakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord orakel
Herkomst
afgeleid van orakel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van orakelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| georakeld | voltooid deelwoord | orakelen |
| georakelde | woordvorm | orakelen |
| orakelde | verleden tijd | orakelen |
| orakelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | orakelen |
| orakele | aanvoegende wijs | orakelen |
| orakelend | onvoltooid deelwoord | orakelen |
| orakelende | woordvorm | orakelen |
| orakelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | orakelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van orakelen zijn vastgelegd.