Naar de inhoud

opwegen

~ tegen: een tegenwicht vormen; een even belangrijke zaak vormen

opwegen

werkwoord

Betekenis

  1. ~ tegen: een tegenwicht vormen; een even belangrijke zaak vormen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van opwegen

opwegenhele werkwoord — woog opverleden tijd enkelvoud — wogen opverleden tijd meervoud — opgewogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik weeg op woog op
jij weegt op woog op
hij, zij, het weegt op woog op
wij wegen op wogen op
jullie wegen op wogen op
zij wegen op wogen op
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had opgewogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgewogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgewogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgewogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgewogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te wegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen wegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal wegen bijzin, toekomende tijd
op zou wegen bijzin, voorwaardelijk
op zouden wegen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt wegen bijzin, voorwaardelijk
op zullen wegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen wegen bijzin, toekomende tijd
op zult wegen bijzin, toekomende tijd
opgewogen verleden tijd, deelwoord
opgewogen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgewogen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opweeg bijzin, tegenwoordige tijd
opweegt bijzin, tegenwoordige tijd
opwegend onvoltooid, deelwoord
opwogen bijzin, verleden tijd
opwoog bijzin, verleden tijd
opwoogt bijzin, verleden tijd
te hebben opgewogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opwegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
weeg op gebiedende wijs
woog op verleden tijd
zal opgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opwegen bijzin, toekomende tijd
zou opgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opwegen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opwegen op zou(dt) wegen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opwegen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opwegen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opwegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opwegen bijzin, toekomende tijd
zult opgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opwegen bijzin, toekomende tijd
zult/zal opwegen op zult/zal wegen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en wegen

Woordfamilie van opwegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgewogen voltooid deelwoord opwegen
opweeg subordinate-clause, tegenwoordige tijd opwegen
opweegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opwegen
opwege with-subordinate-clause opwegen
opwegend onvoltooid deelwoord opwegen
opwegende woordvorm opwegen
opwogen subordinate-clause, verleden tijd opwegen
opwoog subordinate-clause, verleden tijd opwegen
weeg op gebiedende wijs opwegen
weegt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opwegen
wege op woordvorm opwegen
wegen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opwegen
wogen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opwegen
woog op verleden tijd opwegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opwegen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opwegen

Wat betekent opwegen?
Opwegen is een werkwoord. Het woord betekent: ~ tegen: een tegenwicht vormen; een even belangrijke zaak vormen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opwegen?
Je vervoegt opwegen als volgt: het voltooid deelwoord is opgewogen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opwegen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. W 5
  4. E 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opwegen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 118 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. W 5
  4. E 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 zonder bonus
  9. 118 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

opwegen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

opwegen in het kort

opwegen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opwegen zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opwegen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opwegen: ~ tegen: een tegenwicht vormen; een even belangrijke zaak vormen
Deel opwegen — standaardnederlands.nl