opwegen
werkwoordBetekenis
- ~ tegen: een tegenwicht vormen; een even belangrijke zaak vormen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van opwegen
opwegenhele werkwoord — woog opverleden tijd enkelvoud — wogen opverleden tijd meervoud — opgewogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weeg op | woog op |
| jij | weegt op | woog op |
| hij, zij, het | weegt op | woog op |
| wij | wegen op | wogen op |
| jullie | wegen op | wogen op |
| zij | wegen op | wogen op |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgewogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te wegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen wegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal wegen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen wegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen wegen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult wegen | bijzin, toekomende tijd |
| opgewogen | verleden tijd, deelwoord |
| opgewogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgewogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opweeg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opweegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opwegend | onvoltooid, deelwoord |
| opwogen | bijzin, verleden tijd |
| opwoog | bijzin, verleden tijd |
| opwoogt | bijzin, verleden tijd |
| te hebben opgewogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opwegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weeg op | gebiedende wijs |
| woog op | verleden tijd |
| zal opgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opwegen | bijzin, toekomende tijd |
| zou opgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opwegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opwegen op zou(dt) wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opwegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opwegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opwegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opwegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opwegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opwegen op zult/zal wegen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en wegen
Woordfamilie van opwegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgewogen | voltooid deelwoord | opwegen |
| opweeg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opwegen |
| opweegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opwegen |
| opwege | with-subordinate-clause | opwegen |
| opwegend | onvoltooid deelwoord | opwegen |
| opwegende | woordvorm | opwegen |
| opwogen | subordinate-clause, verleden tijd | opwegen |
| opwoog | subordinate-clause, verleden tijd | opwegen |
| weeg op | gebiedende wijs | opwegen |
| weegt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opwegen |
| wege op | woordvorm | opwegen |
| wegen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opwegen |
| wogen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opwegen |
| woog op | verleden tijd | opwegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opwegen zijn vastgelegd.