Naar de inhoud

opvreten

door vraat geheel verorberen

opvreten

werkwoord ˈɔpfretə(n)

Betekenis

  1. door vraat geheel verorberen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Hoe spreek je opvreten uit?

/ˈɔpfretən/

Opvreten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpfretən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
f fiets
r rood
e veel
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. gulzig opeten informal, pejorative

Vervoeging van opvreten

opvretenhele werkwoord — vrat opverleden tijd enkelvoud — vraten opverleden tijd meervoud — opgevretenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vreet op vrat op
jij vreet op vrat op
hij, zij, het vreet op vrat op
wij vreten op vraten op
jullie vreten op vraten op
zij vreten op vraten op
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgevreten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgevreten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgevreten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgevreten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgevreten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgevreten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgevreten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgevreten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgevreten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgevreten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgevreten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgevreten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgevreten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te vreten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen vreten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal vreten bijzin, toekomende tijd
op zou vreten bijzin, voorwaardelijk
op zouden vreten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt vreten bijzin, voorwaardelijk
op zullen vreten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen vreten bijzin, toekomende tijd
op zult vreten bijzin, toekomende tijd
opgevreten verleden tijd, deelwoord
opgevreten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevreten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevreten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevreten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevreten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevreten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevreten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevreten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevreten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevreten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opvrat bijzin, verleden tijd
opvraten bijzin, verleden tijd
opvreet bijzin, tegenwoordige tijd
opvretend onvoltooid, deelwoord
te hebben opgevreten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opvreten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrat op verleden tijd
vreet op gebiedende wijs
waart opgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgevreten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgevreten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgevreten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgevreten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgevreten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgevreten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opvreten bijzin, toekomende tijd
zijn opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opvreten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opvreten op zou(dt) vreten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opvreten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opvreten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgevreten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgevreten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgevreten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opvreten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opvreten bijzin, toekomende tijd
zult opgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en vreten ww

Woordfamilie van opvreten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgevreten voltooid deelwoord opvreten
opvrat subordinate-clause, verleden tijd opvreten
opvraten subordinate-clause, verleden tijd opvreten
opvreet subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvreten
opvrete with-subordinate-clause opvreten
opvretend onvoltooid deelwoord opvreten
opvretende woordvorm opvreten
vrat op verleden tijd opvreten
vraten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opvreten
vreet op gebiedende wijs opvreten
vrete op woordvorm opvreten
vreten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opvreten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opvreten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opvreten

Hoe spreek je opvreten uit?
De uitspraak van opvreten is: /ˈɔpfretə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent opvreten?
Opvreten is een werkwoord. Het woord betekent: door vraat geheel verorberen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opvreten?
Je vervoegt opvreten als volgt: het voltooid deelwoord is opgevreten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opvreten is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. V 4
  4. R 2
  5. E 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opvreten levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. V 4
  4. R 2
  5. E 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opvreten in het kort

opvreten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opvreten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opvreten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opvreten: door vraat geheel verorberen
Deel opvreten — standaardnederlands.nl