Naar de inhoud

opsluiten

iemand achter slot gevangen zetten

opsluiten

werkwoord ˈɔpslœytə(n)

Betekenis

  1. iemand achter slot gevangen zetten
  2. zich opsluiten: zichzelf vrijwillig dwingen ergens op een vaste plaats te blijven

Hoe spreek je opsluiten uit?

/ˈɔpslœytən/

Opsluiten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpslœytən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
s sok
l land
œy huis
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opsluiten

opsluitenhele werkwoord — sloot opverleden tijd enkelvoud — sloten opverleden tijd meervoud — opgeslotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sluit op sloot op
jij sluit op sloot op
hij, zij, het sluit op sloot op
wij sluiten op sloten op
jullie sluiten op sloten op
zij sluiten op sloten op
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgesloten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgesloten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgesloten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgesloten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgesloten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgesloten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgesloten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgesloten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgesloten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgesloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgesloten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgesloten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgesloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgesloten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgesloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgesloten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te sluiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen sluiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal sluiten bijzin, toekomende tijd
op zou sluiten bijzin, voorwaardelijk
op zouden sluiten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt sluiten bijzin, voorwaardelijk
op zullen sluiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen sluiten bijzin, toekomende tijd
op zult sluiten bijzin, toekomende tijd
opgesloten verleden tijd, deelwoord
opgesloten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgesloten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgesloten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesloten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesloten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesloten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgesloten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgesloten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgesloten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgesloten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opsloot bijzin, verleden tijd
opsloten bijzin, verleden tijd
opsluit bijzin, tegenwoordige tijd
opsluitend onvoltooid, deelwoord
sloot op verleden tijd
sluit op gebiedende wijs
te hebben opgesloten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opsluiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgesloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgesloten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgesloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgesloten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgesloten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgesloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgesloten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgesloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgesloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgesloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgesloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgesloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgesloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgesloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgesloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgesloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgesloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgesloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgesloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgesloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgesloten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesloten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgesloten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgesloten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesloten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opsluiten bijzin, toekomende tijd
zijn opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgesloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgesloten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesloten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesloten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesloten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesloten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesloten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opsluiten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opsluiten op zou(dt) sluiten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgesloten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgesloten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgesloten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgesloten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgesloten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgesloten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opsluiten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgesloten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgesloten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opsluiten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgesloten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgesloten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgesloten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgesloten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgesloten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgesloten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opsluiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opsluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opsluiten bijzin, toekomende tijd
zult opgesloten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgesloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en sluiten ww

Woordfamilie van opsluiten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opsloot subordinate-clause, verleden tijd opsluiten
opsloten subordinate-clause, verleden tijd opsluiten
opsluit subordinate-clause, tegenwoordige tijd opsluiten
opsluite with-subordinate-clause opsluiten
opsluitend onvoltooid deelwoord opsluiten
opsluitende woordvorm opsluiten
sloot op verleden tijd opsluiten
sloten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opsluiten
sluit op gebiedende wijs opsluiten
sluite op woordvorm opsluiten
sluiten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opsluiten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opsluiten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opsluiten

Hoe spreek ik opsluiten uit?
Zo spreek je opsluiten uit: /ˈɔpslœytə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van opsluiten?
Opsluiten is een werkwoord. De betekenis is: iemand achter slot gevangen zetten. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opsluiten?
Zo vervoeg je opsluiten zo: het voltooid deelwoord is opgesloten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opsluiten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. L 3
  5. U 4
  6. I 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opsluiten levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. L 3
  5. U 2
  6. I 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opsluiten in het kort

opsluiten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opsluiten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opsluiten bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opsluiten: iemand achter slot gevangen zetten
Deel opsluiten — standaardnederlands.nl