opsluiting
zelfstandig naamwoord ˈɔpslœytɪŋBetekenis
- het opsluiten
- het vastzetten van een aantal verbonden delen van een bouwwerk, van bestrating
- afsluitende rand om bestratingen
- keg of wig waarmee voorwerpen verbonden worden
Hoe spreek je opsluiting uit?
/ˈɔpslœytɪŋ/
Opsluiting bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| s | sok |
| l | land |
| œy | huis |
| t | tak |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| opsluitingen | meervoud |
| opsluitinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| opsluitinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van opsluiten met het achtervoegsel -ing
Woordfamilie van opsluiting
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opsluitingen | meervoud | opsluiting |
| opsluitinkje | verkleinwoord | opsluiting |
| opsluitinkjes | verkleinwoord meervoud | opsluiting |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opsluiting zijn vastgelegd.