opschutten
werkwoordBetekenis
- een schip door een sluis doen passeren van lager naar hoger gelegen water.
Vervoeging van opschutten
opschuttenhele werkwoord — schutte opverleden tijd enkelvoud — schutten opverleden tijd meervoud — opgeschutvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schut op | schutte op |
| jij | schut op | schutte op |
| hij, zij, het | schut op | schutte op |
| wij | schutten op | schutten op |
| jullie | schutten op | schutten op |
| zij | schutten op | schutten op |
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te schutten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen schutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal schutten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen schutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen schutten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult schutten | bijzin, toekomende tijd |
| opgeschut | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschut te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschut zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opschut | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschutte | bijzin, verleden tijd |
| opschuttend | onvoltooid, deelwoord |
| schut op | gebiedende wijs |
| schutte op | verleden tijd |
| te hebben opgeschut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opschutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opschutten | bijzin, toekomende tijd |
| zou opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opschutten op zou(dt) schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opschutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opschutten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opschutten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opschutten op zult/zal schutten | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van opschutten
Vervoeging van opschutten
opschuttenhele werkwoord — schutte opverleden tijd enkelvoud — schutten opverleden tijd meervoud — opgeschutvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schut op | schutte op |
| jij | schut op | schutte op |
| hij, zij, het | schut op | schutte op |
| wij | schutten op | schutten op |
| jullie | schutten op | schutten op |
| zij | schutten op | schutten op |
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeschut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeschut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeschut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te schutten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen schutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal schutten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen schutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen schutten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult schutten | bijzin, toekomende tijd |
| opgeschut | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschut te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschut zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opschut | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschutte | bijzin, verleden tijd |
| opschuttend | onvoltooid, deelwoord |
| schut op | gebiedende wijs |
| schutte op | verleden tijd |
| te hebben opgeschut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opschutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opschutten | bijzin, toekomende tijd |
| zou opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opschutten op zou(dt) schutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeschut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opschutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opschutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opschutten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeschut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opschutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opschutten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opschutten op zult/zal schutten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en schutten
Woordfamilie van opschutten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeschut | voltooid deelwoord | opschutten |
| opgeschutte | woordvorm | opschutten |
| opschut | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opschutten |
| opschutte | subordinate-clause, verleden tijd | opschutten |
| opschuttend | onvoltooid deelwoord | opschutten |
| opschuttende | woordvorm | opschutten |
| schut op | gebiedende wijs | opschutten |
| schutte op | verleden tijd | opschutten |
| schutten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opschutten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschutten zijn vastgelegd.