oproer
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- is het plaatselijk in verzet komen tegen een autoriteit.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oproeren | meervoud |
| oproertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| oproertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oproeren
Vervoeging van oproer
oproerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘opstand’ voor het eerst aangetroffen in 1537
Woordfamilie van oproer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oproertje | verkleinwoord | oproer |
| oproertjes | verkleinwoord meervoud | oproer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oproer zijn vastgelegd.