oproeren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- door roeren omhoog brengen
Vervoeging van oproeren
oproerenhele werkwoord — roerde opverleden tijd enkelvoud — roerden opverleden tijd meervoud — opgeroerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | roer op | roerde op |
| jij | roert op | roerde op |
| hij, zij, het | roert op | roerde op |
| wij | roeren op | roerden op |
| jullie | roeren op | roerden op |
| zij | roeren op | roerden op |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeroerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeroerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeroerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeroerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeroerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te roeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen roeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal roeren | bijzin, toekomende tijd |
| op zou roeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden roeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt roeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen roeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen roeren | bijzin, toekomende tijd |
| op zult roeren | bijzin, toekomende tijd |
| opgeroerd | verleden tijd, deelwoord |
| opgeroerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeroerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| oproer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oproerde | bijzin, verleden tijd |
| oproerden | bijzin, verleden tijd |
| oproerend | onvoltooid, deelwoord |
| oproert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| roer op | gebiedende wijs |
| roerde op | verleden tijd |
| te hebben opgeroerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oproeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opgeroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oproeren | bijzin, toekomende tijd |
| zou opgeroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oproeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oproeren op zou(dt) roeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oproeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oproeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oproeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oproeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult oproeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult oproeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal oproeren op zult/zal roeren | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord oproer
Herkomst
samenstelling van op en roeren
Woordfamilie van oproeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeroerd | voltooid deelwoord | oproeren |
| oproerde | subordinate-clause, verleden tijd | oproeren |
| oproerden | subordinate-clause, verleden tijd | oproeren |
| oproere | with-subordinate-clause | oproeren |
| oproerend | onvoltooid deelwoord | oproeren |
| oproerende | woordvorm | oproeren |
| oproert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oproeren |
| roer op | gebiedende wijs | oproeren |
| roerde op | verleden tijd | oproeren |
| roerden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oproeren |
| roere op | woordvorm | oproeren |
| roeren op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | oproeren |
| roert op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | oproeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oproeren zijn vastgelegd.