opper
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- hoop gemaaid en gedroogd gras
- opperwachtmeester
- beschutting tegen de kracht van wind en zee
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oppers | meervoud |
| oppertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| oppertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opperen
- gebiedende wijs van opperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opperen
Vervoeging van opper
opperhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘aanspreektitel van opperwachtmeester’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1898
Woordfamilie van opper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oppertje | verkleinwoord | opper |
| oppertjes | verkleinwoord meervoud | opper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opper zijn vastgelegd.