Naar de inhoud

oppakken

pakken en oprapen

oppakken

werkwoord ˈɔpɑkə(n)

Betekenis

  1. pakken en oprapen
  2. (een idee of voorstel) gaan uitvoeren
  3. iemand gevangen nemen

Hoe spreek je oppakken uit?

/ˈɔpɑkən/

Oppakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpɑkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
ɑ bad
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. gaan uitvoeren transitive

Vervoeging van oppakken

oppakkenhele werkwoord — pakte opverleden tijd enkelvoud — pakten opverleden tijd meervoud — opgepaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pak op pakte op
jij pakt op pakte op
hij, zij, het pakt op pakte op
wij pakken op pakten op
jullie pakken op pakten op
zij pakken op pakten op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgepakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgepakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgepakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgepakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgepakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgepakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgepakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgepakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgepakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te pakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen pakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal pakken bijzin, toekomende tijd
op zou pakken bijzin, voorwaardelijk
op zouden pakken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt pakken bijzin, voorwaardelijk
op zullen pakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen pakken bijzin, toekomende tijd
op zult pakken bijzin, toekomende tijd
opgepakt verleden tijd, deelwoord
opgepakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgepakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgepakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgepakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgepakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgepakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgepakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
oppak bijzin, tegenwoordige tijd
oppakkend onvoltooid, deelwoord
oppakt bijzin, tegenwoordige tijd
oppakte bijzin, verleden tijd
oppakten bijzin, verleden tijd
pak op gebiedende wijs
pakte op verleden tijd
te hebben opgepakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oppakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oppakken bijzin, toekomende tijd
zijn opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oppakken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oppakken op zou(dt) pakken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oppakken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oppakken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oppakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oppakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oppakken bijzin, toekomende tijd
zult opgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en pakken ww

Woordfamilie van oppakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgepakt voltooid deelwoord oppakken
oppak subordinate-clause, tegenwoordige tijd oppakken
oppakke with-subordinate-clause oppakken
oppakkend onvoltooid deelwoord oppakken
oppakkende woordvorm oppakken
oppakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd oppakken
oppakte subordinate-clause, verleden tijd oppakken
oppakten subordinate-clause, verleden tijd oppakken
pak op gebiedende wijs oppakken
pakke op woordvorm oppakken
pakken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oppakken
pakt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oppakken
pakte op verleden tijd oppakken
pakten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oppakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oppakken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over oppakken

Hoe spreek je oppakken uit?
De uitspraak van oppakken is: /ˈɔpɑkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent oppakken?
Oppakken is een werkwoord. Het woord betekent: pakken en oprapen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je oppakken?
Je vervoegt oppakken als volgt: het voltooid deelwoord is opgepakt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oppakken is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. P 3
  4. A 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oppakken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. P 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oppakken in het kort

oppakken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van oppakken zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort oppakken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

oppakken: pakken en oprapen
Deel oppakken — standaardnederlands.nl