zwijgen
werkwoordBetekenis
- ervan afzien te spreken
Vervoeging van zwijgen
zwijgenhele werkwoord — zweegverleden tijd enkelvoud — zwegenverleden tijd meervoud — gezwegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwijg | zweeg |
| jij | zwijgt | zweeg |
| hij, zij, het | zwijgt | zweeg |
| wij | zwijgen | zwegen |
| jullie | zwijgen | zwegen |
| zij | zwijgen | zwegen |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gezwegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezwegen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezwegen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezwegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezwegen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezwegen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezwegen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezwegen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwegen | verleden tijd, deelwoord |
| gezwegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezwegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zal gezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zweeg | verleden tijd |
| zwijg | gebiedende wijs |
| zwijge | aanvoegende wijs |
| zwijgend | onvoltooid, deelwoord |
Herkomst
In de betekenis van ‘niet spreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Woordfamilie van zwijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwegen | voltooid deelwoord | zwijgen |
| zweeg | verleden tijd | zwijgen |
| zwegen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwijgen |
| zwijg | gebiedende wijs | zwijgen |
| zwijge | aanvoegende wijs | zwijgen |
| zwijgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwijgen zijn vastgelegd.