Naar de inhoud

ophijsen

in de hoogste positie optrekken

ophijsen

werkwoord

Betekenis

  1. in de hoogste positie optrekken
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van ophijsen

ophijsenhele werkwoord — hees opverleden tijd enkelvoud — hesen opverleden tijd meervoud — opgehesenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hijs op hees op
jij hijst op hees op
hij, zij, het hijst op hees op
wij hijsen op hesen op
jullie hijsen op hesen op
zij hijsen op hesen op
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgehesen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgehesen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgehesen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgehesen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgehesen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgehesen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgehesen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgehesen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgehesen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgehesen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgehesen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgehesen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgehesen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgehesen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgehesen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgehesen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hees op verleden tijd
hijs op gebiedende wijs
is opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te hijsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen hijsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal hijsen bijzin, toekomende tijd
op zou hijsen bijzin, voorwaardelijk
op zouden hijsen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt hijsen bijzin, voorwaardelijk
op zullen hijsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen hijsen bijzin, toekomende tijd
op zult hijsen bijzin, toekomende tijd
opgehesen verleden tijd, deelwoord
opgehesen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgehesen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgehesen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehesen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehesen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehesen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgehesen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgehesen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgehesen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgehesen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ophees bijzin, verleden tijd
opheest bijzin, verleden tijd
ophesen bijzin, verleden tijd
ophijs bijzin, tegenwoordige tijd
ophijsend onvoltooid, deelwoord
ophijst bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben opgehesen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ophijsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgehesen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgehesen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgehesen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgehesen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgehesen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgehesen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgehesen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgehesen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgehesen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgehesen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgehesen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgehesen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgehesen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgehesen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgehesen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgehesen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgehesen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgehesen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgehesen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgehesen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgehesen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehesen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgehesen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgehesen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehesen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ophijsen bijzin, toekomende tijd
zijn opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgehesen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgehesen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehesen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehesen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehesen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehesen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehesen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ophijsen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) ophijsen op zou(dt) hijsen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgehesen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgehesen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgehesen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgehesen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgehesen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgehesen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ophijsen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgehesen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgehesen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ophijsen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgehesen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgehesen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgehesen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgehesen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgehesen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgehesen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgehesen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ophijsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ophijsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ophijsen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en hijsen ww

Woordfamilie van ophijsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hees op verleden tijd ophijsen
hesen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ophijsen
hijs op gebiedende wijs ophijsen
hijse op woordvorm ophijsen
hijsen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon ophijsen
hijst op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ophijsen
opgehesen voltooid deelwoord ophijsen
ophees subordinate-clause, verleden tijd ophijsen
ophesen subordinate-clause, verleden tijd ophijsen
ophijs subordinate-clause, tegenwoordige tijd ophijsen
ophijse with-subordinate-clause ophijsen
ophijsend onvoltooid deelwoord ophijsen
ophijsende woordvorm ophijsen
ophijst subordinate-clause, tegenwoordige tijd ophijsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophijsen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ophijsen

Wat is de betekenis van ophijsen?
Ophijsen is een werkwoord. De betekenis is: in de hoogste positie optrekken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ophijsen?
Zo vervoeg je ophijsen zo: het voltooid deelwoord is opgehesen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ophijsen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. H 4
  4. I 1
  5. J 4
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ophijsen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. H 4
  4. I 2
  5. J 4
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ophijsen in het kort

ophijsen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ophijsen staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ophijsen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ophijsen: in de hoogste positie optrekken
Deel ophijsen — standaardnederlands.nl