Naar de inhoud

ophitsen

kwaad en opgewonden maken

ophitsen

werkwoord

Betekenis

  1. kwaad en opgewonden maken

Vervoeging van ophitsen

ophitsenhele werkwoord — hitste opverleden tijd enkelvoud — hitsten opverleden tijd meervoud — opgehitstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hits op hitste op
jij hitst op hitste op
hij, zij, het hitst op hitste op
wij hitsen op hitsten op
jullie hitsen op hitsten op
zij hitsen op hitsten op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgehitst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgehitst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgehitst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgehitst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgehitst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgehitst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgehitst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgehitst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgehitst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgehitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgehitst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgehitst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgehitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgehitst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgehitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgehitst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hits op gebiedende wijs
hitste op verleden tijd
is opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te hitsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen hitsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal hitsen bijzin, toekomende tijd
op zou hitsen bijzin, voorwaardelijk
op zouden hitsen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt hitsen bijzin, voorwaardelijk
op zullen hitsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen hitsen bijzin, toekomende tijd
op zult hitsen bijzin, toekomende tijd
opgehitst verleden tijd, deelwoord
opgehitst te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgehitst te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgehitst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehitst te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehitst te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehitst worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgehitst zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgehitst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgehitst zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgehitst zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ophits bijzin, tegenwoordige tijd
ophitsend onvoltooid, deelwoord
ophitst bijzin, tegenwoordige tijd
ophitste bijzin, verleden tijd
ophitsten bijzin, verleden tijd
te hebben opgehitst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ophitsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgehitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgehitst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgehitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgehitst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgehitst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgehitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgehitst voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgehitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgehitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgehitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgehitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgehitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgehitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgehitst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgehitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgehitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgehitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgehitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgehitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgehitst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgehitst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehitst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgehitst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgehitst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehitst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ophitsen bijzin, toekomende tijd
zijn opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgehitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgehitst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehitst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehitst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehitst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehitst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehitst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ophitsen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) ophitsen op zou(dt) hitsen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgehitst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgehitst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgehitst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgehitst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgehitst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgehitst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ophitsen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgehitst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgehitst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ophitsen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgehitst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgehitst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgehitst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgehitst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgehitst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgehitst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgehitst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ophitsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ophitsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ophitsen bijzin, toekomende tijd
zult opgehitst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en hitsen ww

Woordfamilie van ophitsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hits op gebiedende wijs ophitsen
hitse op woordvorm ophitsen
hitsen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon ophitsen
hitst op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ophitsen
hitste op verleden tijd ophitsen
hitsten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ophitsen
opgehitst voltooid deelwoord ophitsen
opgehitste woordvorm ophitsen
ophits subordinate-clause, tegenwoordige tijd ophitsen
ophitse with-subordinate-clause ophitsen
ophitsend onvoltooid deelwoord ophitsen
ophitsende woordvorm ophitsen
ophitst subordinate-clause, tegenwoordige tijd ophitsen
ophitste subordinate-clause, verleden tijd ophitsen
ophitsten subordinate-clause, verleden tijd ophitsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophitsen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ophitsen

Wat betekent ophitsen?
Ophitsen is een werkwoord. Het woord betekent: kwaad en opgewonden maken.
Hoe vervoeg je ophitsen?
Je vervoegt ophitsen als volgt: het voltooid deelwoord is opgehitst. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ophitsen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. H 4
  4. I 1
  5. T 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ophitsen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. H 4
  4. I 2
  5. T 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ophitsen in het kort

ophitsen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van ophitsen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ophitsen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ophitsen: kwaad en opgewonden maken
Deel ophitsen — standaardnederlands.nl