ophemelen
werkwoordBetekenis
- iets of iemand overdreven goed afschilderen
Vervoeging van ophemelen
ophemelenhele werkwoord — hemelde opverleden tijd enkelvoud — hemelden opverleden tijd meervoud — opgehemeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hemel op | hemelde op |
| jij | hemelt op | hemelde op |
| hij, zij, het | hemelt op | hemelde op |
| wij | hemelen op | hemelden op |
| jullie | hemelen op | hemelden op |
| zij | hemelen op | hemelden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgehemeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgehemeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgehemeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgehemeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgehemeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgehemeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgehemeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgehemeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgehemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgehemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgehemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgehemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgehemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgehemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgehemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehemeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hemel op | gebiedende wijs |
| hemelde op | verleden tijd |
| is opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te hemelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen hemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal hemelen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou hemelen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden hemelen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt hemelen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen hemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen hemelen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult hemelen | bijzin, toekomende tijd |
| opgehemeld | verleden tijd, deelwoord |
| opgehemeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehemeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehemeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehemeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehemeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehemeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehemeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehemeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehemeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehemeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ophemel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophemelde | bijzin, verleden tijd |
| ophemelden | bijzin, verleden tijd |
| ophemelend | onvoltooid, deelwoord |
| ophemelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben opgehemeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ophemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgehemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgehemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgehemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgehemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgehemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgehemeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgehemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgehemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgehemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ophemelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgehemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgehemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ophemelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ophemelen op zou(dt) hemelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgehemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ophemelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgehemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehemeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ophemelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgehemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgehemeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehemeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ophemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ophemelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ophemelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgehemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘uitbundig prijzen’ voor het eerst aangetroffen in 1723
Woordfamilie van ophemelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hemel op | gebiedende wijs | ophemelen |
| hemelde op | verleden tijd | ophemelen |
| hemelden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ophemelen |
| hemele op | woordvorm | ophemelen |
| hemelen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ophemelen |
| hemelt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ophemelen |
| opgehemeld | voltooid deelwoord | ophemelen |
| opgehemelde | woordvorm | ophemelen |
| ophemel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophemelen |
| ophemelde | subordinate-clause, verleden tijd | ophemelen |
| ophemelden | subordinate-clause, verleden tijd | ophemelen |
| ophemele | with-subordinate-clause | ophemelen |
| ophemelend | onvoltooid deelwoord | ophemelen |
| ophemelende | woordvorm | ophemelen |
| ophemelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophemelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophemelen zijn vastgelegd.