opereren
werkwoordBetekenis
- aan een chirurgische ingreep onderwerpen
- acties uitvoeren, optreden
Vervoeging van opereren
opererenhele werkwoord — opereerdeverleden tijd enkelvoud — opereerdenverleden tijd meervoud — geopereerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | opereer | opereerde |
| jij | opereert | opereerde |
| hij, zij, het | opereert | opereerde |
| wij | opereren | opereerden |
| jullie | opereren | opereerden |
| zij | opereren | opereerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geopereerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geopereerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geopereerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geopereerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geopereerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geopereerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geopereerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geopereerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geopereerd | verleden tijd, deelwoord |
| geopereerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geopereerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geopereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geopereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geopereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geopereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geopereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geopereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geopereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geopereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geopereerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geopereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geopereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geopereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geopereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geopereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geopereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| opereer | gebiedende wijs |
| opereerde | verleden tijd |
| operere | aanvoegende wijs |
| opererend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geopereerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te opereren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opereren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geopereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geopereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geopereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geopereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geopereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geopereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geopereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geopereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geopereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geopereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geopereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geopereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geopereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opereren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geopereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘te werk gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1669
Woordfamilie van opereren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geopereerd | voltooid deelwoord | opereren |
| geopereerde | woordvorm | opereren |
| opereer | gebiedende wijs | opereren |
| opereerde | verleden tijd | opereren |
| opereerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opereren |
| opereert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opereren |
| operere | aanvoegende wijs | opereren |
| opererend | onvoltooid deelwoord | opereren |
| opererende | woordvorm | opereren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opereren zijn vastgelegd.