openvouwen
werkwoordBetekenis
- iets dat opgevouwen is openen
Vervoeging van openvouwen
openvouwenhele werkwoord — vouwde openverleden tijd enkelvoud — vouwden openverleden tijd meervoud — opengevouwenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vouw open | vouwde open |
| jij | vouwt open | vouwde open |
| hij, zij, het | vouwt open | vouwde open |
| wij | vouwen open | vouwden open |
| jullie | vouwen open | vouwden open |
| zij | vouwen open | vouwden open |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had opengevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opengevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opengevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opengevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opengevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opengevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opengevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opengevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opengevouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opengevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opengevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opengevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opengevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opengevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opengevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| open te vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| open te zullen vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| open zal vouwen | bijzin, toekomende tijd |
| open zou vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zouden vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zoudt vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zullen vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| open zullen vouwen | bijzin, toekomende tijd |
| open zult vouwen | bijzin, toekomende tijd |
| opengevouwen | verleden tijd, deelwoord |
| opengevouwen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengevouwen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| openvouw | bijzin, tegenwoordige tijd |
| openvouwde | bijzin, verleden tijd |
| openvouwden | bijzin, verleden tijd |
| openvouwend | onvoltooid, deelwoord |
| openvouwt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben opengevouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen openvouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vouw open | gebiedende wijs |
| vouwde open | verleden tijd |
| zal opengevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opengevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal openvouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zou opengevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou openvouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) openvouwen open zou(dt) vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opengevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opengevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opengevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden openvouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opengevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt openvouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opengevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opengevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opengevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen openvouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen openvouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opengevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult openvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult openvouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal openvouwen open zult/zal vouwen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van open en vouwen
Woordfamilie van openvouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opengevouwen | voltooid deelwoord | openvouwen |
| openvouw | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openvouwen |
| openvouwde | subordinate-clause, verleden tijd | openvouwen |
| openvouwden | subordinate-clause, verleden tijd | openvouwen |
| openvouwe | with-subordinate-clause | openvouwen |
| openvouwend | onvoltooid deelwoord | openvouwen |
| openvouwende | woordvorm | openvouwen |
| openvouwt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openvouwen |
| vouw open | gebiedende wijs | openvouwen |
| vouwde open | verleden tijd | openvouwen |
| vouwden open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | openvouwen |
| vouwe open | woordvorm | openvouwen |
| vouwen open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | openvouwen |
| vouwt open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | openvouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van openvouwen zijn vastgelegd.