Naar de inhoud

openvliegen

plotseling, snel opengaan

openvliegen

werkwoord

Betekenis

  1. plotseling, snel opengaan

Vervoeging van openvliegen

openvliegenhele werkwoord — vloog openverleden tijd enkelvoud — vlogen openverleden tijd meervoud — opengevlogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vlieg open vloog open
jij vliegt open vloog open
hij, zij, het vliegt open vloog open
wij vliegen open vlogen open
jullie vliegen open vlogen open
zij vliegen open vlogen open
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opengevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opengevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is opengevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opengevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
open te vliegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
open te zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
open zal vliegen bijzin, toekomende tijd
open zou vliegen bijzin, voorwaardelijk
open zouden vliegen bijzin, voorwaardelijk
open zoudt vliegen bijzin, voorwaardelijk
open zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
open zullen vliegen bijzin, toekomende tijd
open zult vliegen bijzin, toekomende tijd
opengevlogen verleden tijd, deelwoord
opengevlogen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opengevlogen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
openvlieg bijzin, tegenwoordige tijd
openvliegend onvoltooid, deelwoord
openvliegt bijzin, tegenwoordige tijd
openvlogen bijzin, verleden tijd
openvloog bijzin, verleden tijd
te zijn opengevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen openvliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vlieg open gebiedende wijs
vloog open verleden tijd
waart opengevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opengevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opengevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opengevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opengevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opengevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opengevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opengevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opengevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opengevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal openvliegen bijzin, toekomende tijd
zijn opengevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opengevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opengevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opengevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opengevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opengevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opengevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opengevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou openvliegen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) openvliegen open zou(dt) vliegen bijzin, voorwaardelijk
zouden opengevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opengevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opengevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden openvliegen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opengevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt openvliegen bijzin, voorwaardelijk
zullen opengevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opengevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opengevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen openvliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen openvliegen bijzin, toekomende tijd
zult opengevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult openvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult openvliegen bijzin, toekomende tijd
zult/zal openvliegen open zult/zal vliegen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van open en vliegen

Woordfamilie van openvliegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opengevlogen voltooid deelwoord openvliegen
openvlieg subordinate-clause, tegenwoordige tijd openvliegen
openvliege with-subordinate-clause openvliegen
openvliegend onvoltooid deelwoord openvliegen
openvliegende woordvorm openvliegen
openvliegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd openvliegen
openvlogen subordinate-clause, verleden tijd openvliegen
openvloog subordinate-clause, verleden tijd openvliegen
vlieg open gebiedende wijs openvliegen
vliege open woordvorm openvliegen
vliegen open aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon openvliegen
vliegt open aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon openvliegen
vlogen open aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon openvliegen
vloog open verleden tijd openvliegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van openvliegen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over openvliegen

Wat betekent openvliegen?
Openvliegen is een werkwoord. Het woord betekent: plotseling, snel opengaan.
Hoe vervoeg je openvliegen?
Je vervoegt openvliegen als volgt: het voltooid deelwoord is opengevlogen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord openvliegen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. E 1
  4. N 1
  5. V 4
  6. L 3
  7. I 1
  8. E 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

openvliegen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. E 1
  4. N 1
  5. V 4
  6. L 3
  7. I 2
  8. E 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

openvliegen in het kort

openvliegen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van openvliegen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort openvliegen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

openvliegen: plotseling, snel opengaan
Deel openvliegen — standaardnederlands.nl