openvallen
werkwoordBetekenis
- vallend opengaan
- (van een baan, dienstbetrekking) onbezet raken
- door vallen verwonden
werkwoord
- onbezet raken intransitive
Vervoeging van openvallen
openvallenhele werkwoord — viel openverleden tijd enkelvoud — vielen openverleden tijd meervoud — opengevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val open | viel open |
| jij | valt open | viel open |
| hij, zij, het | valt open | viel open |
| wij | vallen open | vielen open |
| jullie | vallen open | vielen open |
| zij | vallen open | vielen open |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opengevallen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opengevallen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opengevallen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opengevallen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opengevallen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opengevallen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opengevallen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opengevallen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opengevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| open te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| open te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| open zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| open zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| open zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| open zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| opengevallen | verleden tijd, deelwoord |
| opengevallen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opengevallen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opengevallen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengevallen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengevallen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengevallen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opengevallen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opengevallen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opengevallen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opengevallen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| openval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| openvallend | onvoltooid, deelwoord |
| openvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| openviel | bijzin, verleden tijd |
| openvielen | bijzin, verleden tijd |
| te hebben opengevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen openvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val open | gebiedende wijs |
| viel open | verleden tijd |
| waart opengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opengevallen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal openvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou openvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) openvallen open zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden openvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt openvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opengevallen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen openvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen openvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen openvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van open en vallen
Woordfamilie van openvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opengevallen | voltooid deelwoord | openvallen |
| openval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openvallen |
| openvalle | with-subordinate-clause | openvallen |
| openvallend | onvoltooid deelwoord | openvallen |
| openvallende | woordvorm | openvallen |
| openvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openvallen |
| openviel | subordinate-clause, verleden tijd | openvallen |
| openvielen | subordinate-clause, verleden tijd | openvallen |
| val open | gebiedende wijs | openvallen |
| valle open | woordvorm | openvallen |
| vallen open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | openvallen |
| valt open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | openvallen |
| viel open | verleden tijd | openvallen |
| vielen open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | openvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van openvallen zijn vastgelegd.