openspringen
werkwoordBetekenis
- (plotseling) opengaan
werkwoord
- met kracht opengaan intransitive
Vervoeging van openspringen
openspringenhele werkwoord — sprong openverleden tijd enkelvoud — sprongen openverleden tijd meervoud — opengesprongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spring open | sprong open |
| jij | springt open | sprong open |
| hij, zij, het | springt open | sprong open |
| wij | springen open | sprongen open |
| jullie | springen open | sprongen open |
| zij | springen open | sprongen open |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opengesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opengesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is opengesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opengesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| open te springen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| open te zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| open zal springen | bijzin, toekomende tijd |
| open zou springen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zouden springen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zoudt springen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| open zullen springen | bijzin, toekomende tijd |
| open zult springen | bijzin, toekomende tijd |
| opengesprongen | verleden tijd, deelwoord |
| opengesprongen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengesprongen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| openspring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| openspringend | onvoltooid, deelwoord |
| openspringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opensprong | bijzin, verleden tijd |
| opensprongen | bijzin, verleden tijd |
| spring open | gebiedende wijs |
| sprong open | verleden tijd |
| te zijn opengesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen openspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opengesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opengesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opengesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opengesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opengesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opengesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opengesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opengesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opengesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal openspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opengesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opengesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opengesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opengesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opengesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opengesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou openspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) openspringen open zou(dt) springen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opengesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opengesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opengesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden openspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opengesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt openspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opengesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opengesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opengesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen openspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen openspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opengesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult openspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult openspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal openspringen open zult/zal springen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van open en springen
Woordfamilie van openspringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opengesprongen | voltooid deelwoord | openspringen |
| openspring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openspringen |
| openspringe | with-subordinate-clause | openspringen |
| openspringend | onvoltooid deelwoord | openspringen |
| openspringende | woordvorm | openspringen |
| openspringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openspringen |
| opensprong | subordinate-clause, verleden tijd | openspringen |
| opensprongen | subordinate-clause, verleden tijd | openspringen |
| spring open | gebiedende wijs | openspringen |
| springe open | woordvorm | openspringen |
| springen open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | openspringen |
| springt open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | openspringen |
| sprong open | verleden tijd | openspringen |
| sprongen open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | openspringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van openspringen zijn vastgelegd.