Naar de inhoud

openspringen

(plotseling) opengaan

openspringen

werkwoord

Betekenis

  1. (plotseling) opengaan

werkwoord

  1. met kracht opengaan intransitive

Vervoeging van openspringen

openspringenhele werkwoord — sprong openverleden tijd enkelvoud — sprongen openverleden tijd meervoud — opengesprongenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spring open sprong open
jij springt open sprong open
hij, zij, het springt open sprong open
wij springen open sprongen open
jullie springen open sprongen open
zij springen open sprongen open
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opengesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opengesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is opengesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opengesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
open te springen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
open te zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
open zal springen bijzin, toekomende tijd
open zou springen bijzin, voorwaardelijk
open zouden springen bijzin, voorwaardelijk
open zoudt springen bijzin, voorwaardelijk
open zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
open zullen springen bijzin, toekomende tijd
open zult springen bijzin, toekomende tijd
opengesprongen verleden tijd, deelwoord
opengesprongen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opengesprongen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
openspring bijzin, tegenwoordige tijd
openspringend onvoltooid, deelwoord
openspringt bijzin, tegenwoordige tijd
opensprong bijzin, verleden tijd
opensprongen bijzin, verleden tijd
spring open gebiedende wijs
sprong open verleden tijd
te zijn opengesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen openspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opengesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opengesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opengesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opengesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opengesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opengesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opengesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opengesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opengesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opengesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal openspringen bijzin, toekomende tijd
zijn opengesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opengesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opengesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opengesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opengesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opengesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opengesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opengesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou openspringen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) openspringen open zou(dt) springen bijzin, voorwaardelijk
zouden opengesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opengesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opengesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden openspringen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opengesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt openspringen bijzin, voorwaardelijk
zullen opengesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opengesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opengesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen openspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen openspringen bijzin, toekomende tijd
zult opengesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult openspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult openspringen bijzin, toekomende tijd
zult/zal openspringen open zult/zal springen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van open en springen

Woordfamilie van openspringen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opengesprongen voltooid deelwoord openspringen
openspring subordinate-clause, tegenwoordige tijd openspringen
openspringe with-subordinate-clause openspringen
openspringend onvoltooid deelwoord openspringen
openspringende woordvorm openspringen
openspringt subordinate-clause, tegenwoordige tijd openspringen
opensprong subordinate-clause, verleden tijd openspringen
opensprongen subordinate-clause, verleden tijd openspringen
spring open gebiedende wijs openspringen
springe open woordvorm openspringen
springen open aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon openspringen
springt open aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon openspringen
sprong open verleden tijd openspringen
sprongen open aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon openspringen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van openspringen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over openspringen

Wat is de betekenis van openspringen?
Openspringen is een werkwoord. De betekenis is: (plotseling) opengaan. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik openspringen?
Zo vervoeg je openspringen zo: het voltooid deelwoord is opengesprongen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord openspringen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. E 1
  4. N 1
  5. S 2
  6. P 3
  7. R 2
  8. I 1
  9. N 1
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

openspringen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. E 1
  4. N 1
  5. S 2
  6. P 4
  7. R 2
  8. I 2
  9. N 1
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 zonder bonus
  14. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

openspringen in het kort

openspringen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van openspringen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort openspringen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

openspringen: (plotseling) opengaan
Deel openspringen — standaardnederlands.nl